Ter voorbereiding van de zaterdag 04-04-2020

Ter voorbereiding van de zaterdag 04-04-2020

Uit de verhandeling van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over het evangelie van Johannes

Zes dagen voor Pasen: voorbereiding van het heengaan van de Heer

‘Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië, waar Lazarus woonde, die Hij uit de doden had opgewekt. Men gaf daar ter ere van Hem een maaltijd. Marta bediende en Lazarus was een van degenen die met Hem aanlagen’ (Joh. 12, 1-2). Opdat men niet zou denken dat de opstanding van Lazarus uit de dood maar schijn was en geen werkelijkheid, was hij een van degenen die met Jezus aanlagen. Hij leefde, sprak en at: zo werd de waarheid aangetoond en het ongeloof van de tegenstanders beschaamd. De Heer was dus aan tafel met Lazarus en anderen; Marta, een van de zusters van Lazarus, bediende. Maar Maria, zijn andere zuster, nam een pond nardusbalsem, echte en heel kostbare, en zalfde daarmee Jezus’ voeten. Nadat zij vol toewijding deze dienst aan de Heer had bewezen, zei Judas Iskariot, die Hem zou overleveren: ‘Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht en het geld aan de armen gegeven?’

Laten we eens zien wat de Heer hierop antwoordt. Let op, broeders en zusters! Hij zegt niet: dit zeg je omdat je een dief bent. Dat wist Jezus en Hij verraadde hem niet, maar veeleer verdroeg Hij hem en gaf Hij een voorbeeld van verdraagzaamheid aan ons die de aanwezigheid van slechte mensen in de kerk moeten verdragen. Jezus zei hem: laat haar begaan. Het is goed dat zij die bewaart met het oog op de dag van mijn begrafenis. Want armen zult gij altijd bij u hebben. Mij echter niet altijd (vgl. Joh. 12, 4-8).

Laten de goede mensen dit begrijpen, zonder evenwel ongerust te zijn. De Heer sprak immers over zijn lichamelijke tegenwoordigheid. Want die andere uitspraak: ‘Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld’ (Mt. 28, 20) is reeds werkelijkheid; deze woorden hebben betrekking op zijn goddelijke majesteit en voorzienigheid, op zijn onuitsprekelijke en onzichtbare genade. Voor het lichaam echter dat Hij, het Woord, heeft aangenomen en waarin Hij uit de Maagd is geboren, geldt deze uitspraak niet. Naar het lichaam waarin Hij door zijn tegenstanders gevangen is genomen, aan het hout genageld en van het kruis is afgenomen, in het graf gelegd en na zijn verrijzenis is verschenen, zult gij Hem niet altijd bij u hebben. Waarom? Omdat Hij gedurende veertig dagen lichamelijk bij zijn leerlingen is geweest en daarna voor hun ogen ten hemel is opgevaren zonder dat zij Hem konden volgen. Hij is hier niet, want Hij is daar, Hij zit aan de rechterhand van de Vader. En toch is Hij hier, want aan de aanwezigheid van zijn goddelijke majesteit is geen einde gekomen. Anders gezegd: wat betreft de aanwezigheid van zijn majesteit hebben wij Christus altijd bij ons, maar wat betreft zijn lichamelijke tegenwoordigheid is terecht door de Heer aan de leerlingen gezegd: ‘Mij zult gij niet altijd bij u hebben.’ Slechts weinige dagen heeft de kerk Hem lichamelijk bij zich gehad; nu bezit zij Hem in geloof en ziet zij Hem niet met de ogen.