Ter voorbereiding van de heilige Mis op donderdag 26-03-2020

Ter voorbereiding van de heilige Mis op donderdag 26-03-2020

Uit de geschriften van de heilige Cyrillus, bisschop van Alexandrië († 444).

In geest en waarheid moet men aanbidden

Het prijzenswaardig karakter van de liefde, zowel tot God als tot de naaste, is overduidelijk. Door beide wordt de wet vervuld. Al wie dit bereikt heeft, verdient eer en bewondering. Hij zal onder de meest trouwe dienaars gerekend worden, wanneer Christus met luide stem verklaart: ‘Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal Ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw Heer’ (Mt. 25, 21).

Hij zal goed voorbereid binnengaan in het hemelse Jeruzalem en in de verblijven in den hoge zal hij wonen, terwijl hij met volle teugen zal genieten van de weldaden die elk begrip en iedere taal te boven gaan. Iets dergelijks zegt ook de profeet Jesaja: ‘Wend uw ogen naar Jeruzalem, de veilige plaats, de tent die niet wordt afgebroken, waarvan de pinnen niet worden uitgerukt en de touwen niet breken’ (Jes. 33, 20). ‘Want de wereld die wij zien, gaat voorbij’ (1 Kor. 7, 31), zegt de Schrift. Onze hoop op wat komt, is daarentegen rotsvast en geheel onwrikbaar.

Jeruzalem

Maar ‘wanneer alles vergaat’ (2 Petr. 3, 11), zoals ook een leerling van de Verlosser verzekerde, hoe moeten wij dan ‘heilig en vlekkeloos voor zijn aangezicht’ (Ef. 1, 4) bevonden worden? Wij moeten de Heer met ‘geestelijke offers’ (1 Petr. 2, 5) als Redder en Verlosser vereren en een heilige en onberispelijke levenswandel onderhouden, overeenkomstig de voorschriften van het evangelie. Op soortgelijke wijze had de wet onze voorvaderen een zeer vererenswaardige en verdienstelijke levenswijze voorgeschreven: zij beval schapen te slachten, bloedige offers op te dragen, God tienden en eerstelingen toe te wijden, en bovendien nog dankoffers te brengen. Doch zij bepaalde dat dit alles niet buiten de heilige tent verricht mocht worden (vgl. Lev. 17, 5).

Verder heeft de wet de uitgelezen stam van Levi voor de dienst aan God afgezonderd, waarmee zij ons een voorafbeelding gaf van wat voor ons werkelijkheid werd. Ook wij worden immers in de heilige Schrift ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk’ (1 Petr. 2, 9) genoemd. Wij betreden echter ‘het waarachtige heiligdom, de tent die is opgeslagen door de Heer en niet door een mens’ (Heb. 8, 2), dit is de kerk. Niet door kalveren en bokken stemmen wij de Schepper van het heelal gunstig, maar door uit te blinken in een rechtzinnig en onberispelijk geloof en door als een welriekende offergave op zinvolle wijze geestelijke vruchten op te dragen. ‘Want dat zijn de offers die God behagen’ (Heb. 13, 16), en wie Hem aanbidden, moeten Hem, naar de woorden van de Verlosser, ‘in geest en waarheid aanbidden’ (Joh. 4, 24).