Ter voorbereiding van de heilige Mis op donderdag 19-03-2020

Ter voorbereiding van de heilige Mis op donderdag 19-03-2020

Uit de geschriften van de priester Karl Rahner († 1984)

Jozef, de beschermer van Gods Zoon

‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest’ (Mt. 1, 20). De hemel deelt Jozef niet alleen mee dat Maria haar kind ontvangen heeft door de kracht van God, maar de beslissende boodschap is: neem tóch Maria tot u. Dat wil zeggen: wees een vader voor dit kind, vervul de taak van vader voor dit kind dat, vanuit de hemel, aan uw bruid is geschonken. Omgeef dit kind met uw liefdevolle zorgen, wees zijn beschermer. Zo luidt de opdracht die Jozef van Godswege krijgt. Bijgevolg kunnen wij hem voedstervader noemen en beschermer van het kind, niet alleen omdat zijn verloofde dit kind ontvangen heeft vanuit de hemel, maar ook omdat God zelf wilde dat hij optrad als vader van Gods Zoon die gekomen is om de wereld te verlossen. Daarom wordt tot Jozef gezegd dat hij het kind een naam moet geven. Daarom wordt Jozef aangesproken met ‘zoon van David’, want het was van belang dat Jezus gekend en erkend werd als zoon van David. Dit zou alleen dan duidelijk zijn als zijn aardse vader een zoon van David, uit het geslacht van David was. We mogen dus uit deze tekst besluiten: de hemel vertrouwt de Verlosser van de wereld toe aan de heilige Jozef. Aldus krijgt door deze hemelse boodschap Jozef een plaats in de grote, openbare heilsgeschiedenis. Niet alleen staat hij als verloofde, en later als echtgenoot, in een persoonlijke betrekking met Maria, maar hij krijgt een taak, een opdracht in de heilsgeschiedenis. Hij is de beschermer en behoeder van Gods Zoon. Hij is rechtstreeks hiervoor aangewezen; hij treedt niet in deze functie ten opzichte van het hemels Kind omdat hij toevallig verloofd is met Maria.

Vaak zijn ook wij geroepen om beschermers te zijn van het heilige in onszelf, in ons leven, in ons werk. Ogenschijnlijk spelen zich daar alleen maar alledaagse dingen af, die geen verband houden met de heilige geschiedenis van het rijk Gods en van het heil van de wereld. Klaarblijkelijk is onze horizon beperkt tot de kleine kring van ons leven, onze bekenden, ons werk. Maar juist hier ligt eigenlijk onze taak als geroepenen om het heilige, het grote te beschermen: Gods genade in ons en om ons heen. Aan wie zijn geen kinderen van God toevertrouwd die beschermd moeten worden: op school, in het gezin, in de omgeving? Aan ons verschijnt geen engel uit de hemel; aan ons wordt niet in een hemels droomgezicht gezegd: neem het kind tot u. En toch is ook aan ons – ogenschijnlijk door middel van louter aardse gebeurtenissen – het hemelse en goddelijke toevertrouwd; Gods genade in ons eigen hart en in onze aardse omgeving. Daarin leeft de Zoon van God die mens werd voort, en ook van ons allen wordt gevraagd dat wij als beschermers van de Zoon van God die wij in anderen ontmoeten, even trouw bevonden worden als Jozef. Van hem staat geschreven: hij was trouw, hij nam het Kind met zijn moeder tot zich. Hij beschermde het zolang hij leefde, opdat het werkelijk de Verlosser en het heil van de wereld kon worden.