Ter voorbereiding van de heilige Mis op Witte Donderdag 09-04-2020

Ter voorbereiding van de heilige Mis op Witte Donderdag 09-04-2020

Uit een preek van de heilige paus Leo de Grote († 461) over het lijden van de Heer

De gebeurtenissen tijdens het laatste paasmaal

Dierbaren, op duidelijke wijze moest vervuld worden wat reeds lang tevoren door een voorafbeelding van het mysterie was beloofd: het ware Lam moest de plaats innemen van het zinnebeeldig lam, en één enkel offer zou een einde maken aan de veelheid en verscheidenheid van slachtoffers. Want alle voorschriften, van Godswege door Mozes gegeven betreffende het slachten van het paaslam, waren voorzeggingen over Christus en, in het bijzonder, aankondigingen van zijn offerdood. De schaduw moet echter wijken voor de werkelijkheid, de beelden moeten verdwijnen voor de waarheid. Daarom wordt het oude godsdienstige gebruik vervangen door een nieuw sacrament; daarom komt een nieuw offerlam in de plaats van het oude, en maakt het bloed van dit lam het bloed van het andere overbodig. Zo vindt het paasfeest van de oude wet in zijn verandering zijn ware vervulling.

Jezus maakt een einde aan het oude verbond en Hij stelt een nieuw Pasen in. Hij gaat met zijn leerlingen aan tafel om het mysterievolle avondmaal te houden. Terwijl in de voorhof van Kajafas wordt besproken hoe men aan Christus de hand zal kunnen slaan, stelt de Heer het sacrament van zijn lichaam en bloed in. Zo leerde Hij hun welk offer aan God moest worden opgedragen. Zelfs van dit mysterie weerde Hij de verrader niet. Aldus was er voor Judas geen reden om verbitterd te zijn over onrechtvaardige behandeling, terwijl Jezus toch zijn boze bedoelingen op voorhand kende. Zelf was Judas de oorzaak van zijn ondergang en de reden van zijn ontrouw: hij volgde de duivel als zijn gids en weigerde Christus als zijn leidsman. Door te verklaren: ‘Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij overleveren’ (Mt. 26, 21) toonde de Heer dat Hij wist wat er in zijn verrader omging. Hij wilde hem evenwel niet door een ruwe en openlijke terechtwijzing te schande maken, maar Hij richtte zich tot hem met een milde en stilzwijgende vermaning. Hiermee wilde Hij bereiken dat Judas, zonder de schande van een vernedering, door berouw gemakkelijker op de rechte weg zou kunnen terugkeren.

Waarom, ongelukkige, blijf je ongevoelig voor zo’n grote lankmoedigheid? Zie, de Heer straft je niet voor je vermetelheid. Christus maakt je aan niemand, tenzij aan jezelf bekend; noch je naam noch je persoon wordt onthuld, maar alleen je hart met zijn geheimen wordt geraakt door zijn woord van waarheid en barmhartigheid. Noch de eer van het apostelschap noch de deelname aan de heilige tekenen wordt je ontzegd. Keer terug van je misstap, bekoel van je uitzinnigheid en kom tot bezinning. De zachtmoedigheid in eigen persoon nodigt je uit, het heil klopt bij je aan, het Leven roept je terug tot het leven.

Toen de Heer aan zijn verrader het ingedoopte brood had toegereikt en hem aldus duidelijker dan tevoren had aangewezen, maakte de duivel zich geheel en al meester van Judas. Door hem slechte gedachten in te geven, had de boze hem reeds aan zich gebonden, maar nu raakte de leerling volledig in zijn macht door het begaan van de misdaad. Want Judas was slechts lichamelijk aanwezig bij zijn disgenoten, maar met zijn geest bereidde hij het optreden voor van afgunstige priesters, valse getuigen en van een opgeruide argeloze menigte. Tenslotte sprak de Heer, toen Hij gezien had op welke schanddaad Judas bedacht was: ‘Wat gij te doen hebt, doe dat spoedig’ (Joh. 13, 27). Dit woord komt niet van iemand die beveelt, maar van iemand die zwijgt en niet bang is, maar bereid. Hier spreekt Hij die Heer is over alle tijden: Hij houdt de verrader niet tegen, Hij doet de wil van zijn Vader voor de verlossing van de wereld, zonder de misdaad van zijn vervolgers uit te lokken of te vrezen.

Maar Judas laat zich door de duivel overhalen. Hij gaat van Christus weg en verbreekt de gemeenschap met de apostelen. Wat de Heer hierna doet, is niet ingegeven door angstige vrees, maar alleen door bezorgdheid voor het heil van hen die Hij zal verlossen. De tijd die Hem nog rest vóór de aanslag van zijn vervolgers, gebruikt Hij geheel, zoals uit het evangelie van Johannes blijkt, voor diepzinnige gesprekken en voor onderricht in zijn leer. Tenslotte slaat Hij zijn ogen ten hemel en bidt Hij de Vader voor de gehele Kerk. Hij vraagt dat allen die door de Vader aan de Zoon gegeven zijn of zullen worden, één mogen zijn en onverdeeld blijven, verenigd in de heerlijkheid van de Verlosser.