Ter voorbereiding van 02-05-2022, H. Athanasius, bisschop en kerkleraar

Ter voorbereiding van 02-05-2022, H. Athanasius, bisschop en kerkleraar

Uit een toespraak van de heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië († 373)

De menswording van het Woord.

Het woord Gods, onlichamelijk, onvergankelijk en onstoffelijk, komt in ons bestaan, al was Hij tevoren niet ver weg. Want geen enkel deel van de schepping was ooit zonder Hem. Door de eenheid met zijn Vader vervult Hij alles en overal.

Uit menslievendheid jegens ons is Hij gekomen en toonde Hij zich aan ons. Uit medelijden met ons zwakke mensengeslacht en door zijn begrip voor onze bederfelijkheid verdroeg Hij niet dat de dood over ons heerste. Hij wilde niet dat de schepping verloren ging en het werk van zijn Vader voor de mens om niet zou zijn. Daarom nam Hij voor zichzelf een lichaam aan en wel zo, dat het zich niet van het onze onderscheidde. Want Hij wilde niet zo maar een lichaam hebben en ook niet zich alleen maar laten zien. Had Hij zich alleen maar willen laten zien, dan had Hij zich in een ander en volmaakter lichaam kunnen tonen.

In de schoot van de Maagd bouwde Hij voor zichzelf de tempel van zijn lichaam. Hij maakte het tot zijn eigen instrument om daarin te wonen en zich bekend te maken. Zo nam Hij een lichaam aan gelijk aan dat van ons, en omdat wij allen aan het verderf van de dood zijn onderworpen, heeft Hij dat lichaam voor allen aan de dood prijsgegeven, en uit menslievendheid aan zijn Vader aangeboden. Doordat allen zouden sterven in Hem, moest de wet van het verderf, waaraan de mens is onderworpen, worden opgeheven. En als die wet haar krachten had verbruikt op het lichaam van de Heer, zou zij geen macht meer hebben over mensen die aan de Heer gelijk zijn. Zo wilde Hij de mensen, die aan het verderf waren overgeleverd, terugvoeren tot de onvergankelijkheid en ze van de dood terugbrengen naar het leven. Door een lichaam aan te nemen en door de genade van de verrijzenis, liet Hij van hen de dood verdwijnen, als stro verteerd door het vuur.

Daartoe nam Hij voor zich een lichaam aan dat kon sterven en dat, door deel te hebben aan dit boven alles gestelde Woord, kon sterven voor allen. Maar tegelijk zou dit lichaam door het daarin wonende Woord onvergankelijk blijven en tenslotte door de genade van de verrijzenis voor allen aan het bederf een einde stellen.

Door zo als een offergave, vrij van iedere smet, het lichaam dat Hij voor zichzelf had aangenomen aan de dood prijs te geven, deed Hij onmiddellijk van alle mensen, zijn gelijken, de dood verdwijnen door het offer van het lichaam dat Hij met hen deelde.

Het was dus passend dat Gods woord, verheven boven allen, zijn eigen tempel, het instrument van zijn lichaam, als losprijs voor allen heeft geofferd om onze schuld te vereffenen in zijn dood. Terecht heeft zo Gods onsterfelijke Zoon, die met ons allen door een gelijk lichaam verbonden is, ook allen door de belofte van de verrijzenis met onbederfelijkheid bekleed.

Want het bederf van de dood heeft geen macht meer over de mens door toedoen van het Woord, dat door dit ene lichaam in allen woont.