Preek tijdens de Boete- en Biechtviering vóór Pasen

Preek tijdens de Boete- en Biechtviering vóór Pasen

Openingswoord

Lieve mensen, van harte welkom bij deze Boete- en Biechtviering.

Wij weten, dat vooral de Biecht een privé-kwestie is tussen de biechteling en de priester. De Catechismus van de Katholieke Kerk verklaart dan ook, dat het de priester onder strenge straffen verboden is ook maar iets uit een Biechtgesprek bekend te maken.

Maar, lieve medeparochianen, toch is de Biecht nooit helemaal privé. Ook al gaat het om een vertrouwelijk gesprek met de priester: er zijn toch altijd anderen, die je horen.

Om met de Belangrijkste te beginnen: de priester is tijdens zijn wijding gezalfd met de heilige Geest en daardoor spreekt en handelt hij in de Persoon van, in de Naam van Jezus Christus. Woorden van vergeving en genezing komen – via de priester – van Jezus Christus zelf. Wat de priester hoort, hoort Jezus ook. Wat de priester zegt, zegt Jezus Christus ook. Dan is het dus al een gesprek, niet met z’n tweeën, maar met z’n drieën.

Paus Johannes Paulus II heeft ooit gezegd, dat wij in deze persoonlijke ontmoeting uit Jezus’ eigen mond horen: “Je zonden zijn je vergeven; ga en zondig niet meer”.

Laten wij dus vol vertrouwen tot de Heer gaan. Er is niemand, die méér van ons houdt dan Hij, Hij en zijn hemelse Moeder.

Eerste lezing (1 Johannes 2,1-17)

Uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes

Kinderen, ik schrijf u met de bedoeling dat gij niet zoudt zondigen. Maar ook al zou iemand zonde bedrijven: we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, die geheel zondeloos is,
die al onze zonden goedmaakt, en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld.
Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar een bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden.
Wie zegt dat hij Hem kent, maar zich niet houdt aan zijn geboden, is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet.
Maar in een mens die Gods woord bewaart, heeft zijn liefde werkelijk haar volmaaktheid bereikt; dan weten we zeker dat we `in Hem’ zijn.
Wie aanspraak maakt op verbondenheid met God, moet leven juist zoals Christus geleefd heeft.
Vrienden, ik leg u geen nieuw gebod op. Het is het oude gebod dat gij altijd gehad hebt; het is de boodschap die gij vanaf het begin hebt gehoord.
Toch is het ook weer een nieuw gebod, en dat geldt van Christus maar ook van u, want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds.
Wie zegt in het licht te zijn, maar zijn broeder haat, die is nog steeds in duisternis.
Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en hij komt niet ten val.
Maar wie zijn broeder haat is in duisternis. Hij tast in het donker en weet niet waarheen zijn weg hem voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt.
Ik schrijf u, kinderen, dat uw zonden vergeven zijn ter wille van zijn naam.
Ik schrijf u, vaders, dat gij Hem kent die er was vanaf het begin. Ik schrijf u, jonge mannen, dat gij de boze overwonnen hebt.
Nogmaals, kinderen, ik schrijf u, dat gij de Vader kent. Ik schrijf u, dat gij Hem kent die er was vanaf het begin. Ik schrijf u, jonge mannen, dat gij sterk zijt. Gods woord woont in u en gij hebt de boze overwonnen.
Verliest uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld! Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.
Want al wat in de wereld is het begeren van de lust en het begeren der ogen en de hovaardij van het geld het komt niet van de Vader maar van de wereld.
En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Evangelie (Lucas 15,1-10)

Uit het heilig evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.

Telkens kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’
Hij hield hen deze gelijkenis voor:
‘Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er een van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt?
En als hij het vindt legt hij het vol vreugde op zijn schouders,
gaat naar huis; roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden.
Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over een zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.
Of welke vrouw die tien drachmen bezit en een drachme verliest, steekt niet een lamp aan, veegt het huis en zoekt zorgvuldig totdat ze het vindt?
En als ze die gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde, want de drachme die ik had verloren, heb ik gevonden.
Zo, zeg ik u, is er vreugde bij de engelen van God over een zondaar die zich bekeert.’
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Preek

Jezus Christus zei ooit tegen de Poolse zuster Maria Faustina gezegd: “Wanneer je bij de biechtstoel komt, weet dan, dat Ik daar zelf op je wacht” (Dagboek 1602).

In het Sacrament van de heilige Eucharistie, beste medeparochianen, is Jezus Christus werkelijk aanwezig, maar verborgen, onder de gedaante van brood en wijn. In het Sacrament van de Biecht is Jezus Christus evenzeer aanwezig, ook verborgen, dit keer in de persoon van de Priester. Jezus zegt tegen zuster Faustina, dat zoals er in de biechtstoel een scherm is tussen de priester en de biechteling, zo is de priester een scherm tussen Hem en de biechteling. Door het scherm heen zie je, ontmoet je, Jezus Christus zelf.

Dus de Biecht is dan wel een privé-aangelegenheid tussen de biechteling en de priester, maar Jezus Christus is er dus ook. En ook Hij is nooit alleen. Waar Hij is, daar zijn ook zijn en onze hemelse Vader en de heilige Geest. Door het mysterie van de Drie-eenheid zijn Zij onafscheidelijk met elkaar verbonden, altijd. Dus nu zijn we in de Biecht al met z’n vijven. Er blijft weinig over van het privé-gesprek.

In de formule van de absolutie wordt maar liefst twee keer verwezen naar de Drie-eenheid: “God, de barmhartige Vader, heeft de wereld met zich verzoend door de dood en de verrijzenis van zijn Zoon en de heilige Geest uitgestort tot vergeving van de zonden; Hij schenke u door het dienstwerk van de Kerk vrijspraak en vrede. En ik ontsla u van uw zonden in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest”.

Volgens de oudste overleveringen heeft de Biecht iets weg van een rechtszaak. Maar het gaat daarbij veeleer om het gerecht van de Barmhartigheid dan om het strikte en strenge gerecht van de Rechtvaardigheid.

Laten we het woord ‘gerecht’ eens bekijken vanuit de term ‘tribunaal’. Het voorvoegsel ‘tri’ betekent ‘drie’, en dus wordt dit gewoonlijk begrepen als een rechtbank, die wordt voorgezeten door drie rechters.

Het woord is afgeleid van het Latijnse ‘tribunus’ en dit verwijst hoofdzakelijk naar het ambt van volkstribuun, dat in de Romeinse republiek werd ingesteld ongeveer 500 jaar vóór Christus. Een tribuun kon het gewone volk beschermen en ervoor zorgen, dat hen recht werd gedaan.

Wanneer er door een overheidspersoon of door een besluit van een volksvergadering of zelfs de senaat, actie werd ondernomen tegen om het even welke Romeinse burger, kon deze burger een beroep doen op de volkstribuun. Die tribuun beschikte over de macht om zijn veto uit te spreken over om het even welke regeringsmaatregel. De volkstribunen waren dus advocaten van het gewone volk en dat had ook alleen maar hen als hun vertegenwoordigers.

Door het werk van de priester, die in de Biecht handelt in de persoon van Christus, worden wij voor de rechterstoel gebracht, de Rechterstoel van de Barmhartigheid: de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Maar zij zijn daar niet om als Rechter op te treden. Zij staan aan onze kant, net als die volkstribuun.

Het is belangrijk, dat we inzien, dat het hier niet gaat om abstracte begrippen of ideeën. Het gaat immers om personen, goddelijke weliswaar, maar toch echte personen. Jezus is een Persoon, de heilige Geest is een Persoon, de Vader is een Persoon. En samen hebben deze drie Personen één doel: ons terug te brengen naar de Vader, de bron van alle leven, van alle goedheid, van alle zegen. Bij de Biecht draait alles om de Vader.

In de Biechtstoel leidt Jezus Christus ons, door de kracht van de heilige Geest, terug naar de Vader. Jezus Christus koopt ons door zijn Bloed vrij, herstelt ons, vergeeft en geneest ons. En daardoor worden wij weer ten volle kinderen van de Vader.

God, lieve mensen, is de perfecte Vader. Hoe reageert elke goede vader als een van zijn kinderen gekwetst is of in de problemen zit en hulp nodig heeft? Stellen wij ons een kleuter voor die valt en zich bezeert en naar zijn papa loopt. Zou hij hem van zich wegduwen en zeggen: “Sorry! Geen bloed, dus geen pleister”? Of zou hij hem een dikke knuffel geven, vragen waar het pijn doet en hem een kusje geven, zodat hij zich beter zou voelen?

Biechten is zo veel meer dan je zonden belijden in een privé-gesprek met de priester. Het gaat over een kind, dat gevallen is en zichzelf heeft gekwetst en naar zijn Vader toeloopt om te worden geholpen. Biechten is naar Papa lopen!

Ik zei, dat wij met z’n vijven waren: de biechteling, de priester, en dan de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Maar eigenlijk zijn er nóg meer personen bij de Biecht betrokken.

In Lucas, hoofdstuk 15, net voor de parabel van de verloren zoon, vertelt Jezus twee andere parabels over Gods Barmhartigheid. De eerste gaat over de herder, die op zoek is naar het verloren schaap. In de tweede parabel gaat het over een vrouw, die een geldstuk heeft verloren.

De vader in de parabel van de verloren zoon is vol vreugde bij de terugkomst van zijn zoon, maar hij is niet de enige, die blij is. Hij roept zijn slaven om een speciaal feest te bereiden, zodat iedereen kan delen in zijn blijdschap
(Luc 15,22-24).

Op dezelfde manier roepen de herder van het verloren schaap en de vrouw met het geldstuk anderen erbij om hun blijdschap te delen over wat verloren was, en nu is teruggevonden. De herder roept zijn vrienden en buren (Luc 15,6) en de vrouw met het geldstuk roept haar vriendinnen en buren (Luc 15,9).

Wat is hier de boodschap? Wij moeten de sprong maken van de aarde naar de hemel en inzien, dat, zoals voor de hoofdfiguren in de drie parabels, het ook voor onze hemelse Vader niet voldoende is om zich alléén te verheugen, maar dat Hij deze vreugde wil delen, elke keer dat één van zijn verloren kinderen is teruggevonden.

Maar met wie deelt de hemelse Vader zijn vreugde? In het geval van de herder zegt Jezus Christus ons, dat er in de hemel meer blijdschap is over één zondaar, die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben (Luc 15,7). En bij de vrouw met het geldstuk zegt Hij, dat er blijdschap is bij de engelen van God over één zondaar, die zich bekeert (Luc 15,10).

Onze beleving van het Sacrament is dus alles behalve een private, op zichzelf staande ervaring. Over ons berouw, onze erkenning van de Barmhartigheid van God, onze oprechte belijdenis van onze zonden, onze daden van uitboeting en ons besluit om niet meer te zondigen, is de hele hemel vol vreugde. Ja, als het goed is, kunnen zelfs onze medemensen, tegen wie wij gezondigd hebben, merken, dat er met ons iets heel moois is gebeurd.

Lieve medeparochianen, de heilige Sacramenten bewerken, dat God en mensen weer één worden, dat mensen onderling weer één worden, één van hart en één van geest. Ontvangen wij deze grote gave van Jezus Christus met een blij en dankbaar hart. Amen.