Preek op 13-12-2020, 3e zondag van de advent, jaar B, diaken Eelke Ligthart

Preek op 13-12-2020, 3e zondag van de advent, jaar B, diaken Eelke Ligthart

Openingswoord

Allemaal van harte welkom hier in de kerk en de mensen die via life stream met ons zijn verbonden. We vieren de H. Eucharistie op de 3e zondag van de Advent.  Tekst bij ontsteken van de derde kaars.

Groter worden door kleiner te zijn Op de derde zondag van de Advent horen we over Johannes de Doper, die grote grensganger tussen het oude en het nieuwe, het eerste en tweede Testament, het eerste dat opgaat in het tweede, dat dus niet wordt afgeschaft door het tweede maar daarin verdwijnt. Het verhaal over hem op deze zondag laat dat, zonder het te zeggen, zien. Johannes is een man die steeds kleiner lijkt te worden. Dat zegt hij overigens, elders in de evangeliën, ook zelf: ‘Hij, de Messias, moet groter worden, ik kleiner’ (Joh. 3,30). Hij maakt plaats voor Jezus. Maken wij plaats voor Jezus in deze Adventstijd?

Preek

Ook hier, in de evangelielezing van vandaag, verdwijnt hij. ‘Wie ben jij?’ wordt hem gevraagd. Hij zegt: ‘ik ben de Messias niet.’ En zij weer: ‘Ben jij dan soms Elia?’ Hij: ‘Neen, dat ben ik niet.’ Zij: ‘Ben je dan de profeet?’ Hij weer: ‘Neen.’ Korter kan niet. Maar ze houden aan: ‘Wie ben je wél?’ Ook dan zegt hij niet wie hij is, hij zegt enkel een verwijzing is, naar een ander: ‘ik ben enkel de stem van een ander. Het gaat helemaal niet om mij. Het gaat om wie na mij komt, iemand die al midden onder jullie is, maar onbekend.’ De mensen vragen: ‘wie ben je, wat kom je hier doen?’ Maar Johannes zegt: ‘niet ik, het gaat niet over mij, het gaat over een ander.’

“Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, de stem van iemand, die roept in de woestijn: Maak de weg recht voor de Heer!”

Wíj weten hoe het verhaal verder gaat. Maar u moet zich voorstellen: de mensen rond Johannes de Doper kenden het vervolg van het verhaal helemaal niet. Zij wisten enkel wat Johannes hen zei: ‘het gaat niet om mij, het gaat om een ander.’ Dat is misschien wel de oervorm van Advent-vieren: dat je voorbij alles wat gewoonte is geworden, al het zo vanzelfsprekende, ook in de kerk, ook in je geloof, ook in de liturgie, aansprekende en stemmige vieringen en zo, dat je dááraan voorbijziet en je als het ware voor de eerste keer afvraagt: om wie gaat in dit alles het eigenlijk, wie is degene op wie ik wacht?

Is de voorbereiding op Kerstmis, op de komst van het goddelijk mensenkind, de Christus, daarom niet eerst en vooral een loslaten van alles wat je denkt te geloven of denkt te weten, zodat je niets meer in handen hebt en enkel nog één en al wachten kunt zijn? Wij zijn mensen van het eerste en het tweede Testament. In ons, ook in ons, moet het eerste nog verdwijnen en opgaan in het tweede. We verlangen ernaar en wachten erop dat dat zal gebeuren:

dat de Geest van God op zo’n manier helemaal zal vervullen dat wij, ook wij, mensen van hier en nu, zelfs in deze Coronatijd, mensen zijn in wie God mens wordt, in wie Gods hartstochtelijk verlangen naar menselijkheid mens wordt, in ons, één voor één. Want die mens, het goddelijk mensenkind, moet steeds opnieuw in ons geboren worden en groter worden, en wij, met al onze kleinmoedige en soms kleinzielige ik, steeds kleiner. ‘Wie ben jij, wat kom je hier doen?’ vragen de mensen aan Johannes. Hij zegt: ‘het gaat helemaal niet om mij.’ Dat is, ook voor ons, allereerst een bevrijdend woord. Wij zijn dé Messias (met hoofdletter) niet, het gaat niet om ons. We mogen onze ontoereikendheid, ons onvermogen om als redders het licht van Gods hartstocht te zijn, vertrouwvol uit handen geven, we hoeven niet gespannen en angstvallig op onze tenen te lopen om iets te doen waartoe we niet in staat zijn.

Wij zijn dé Messias niet. Dat mag ons hart vredig maken en blij: we zijn niet geroepen tot het ondoenlijke. Na ons komt wie dat wel zal kunnen,  na ons komt hij ‘wiens schoenveters wij niet eens waardig zijn los te maken.’ Maar wie is dat dan wel, wie is ‘degene die als een onbekende midden onder ons staat?’ Als het niet om ons gaat, om wie dan wel? Zeker, het gaat om de Messias, de Christus, de mens die wij ‘de zoon van God’ noemen. Maar wie is hij, hoe komt hij? Dan moeten we ons geloof belijden en misschien wel zeggen: het gaat om ieder ander, om elk-ander, ieder kind van God, ieder mensenkind dat lijden moet en nood kent. We hoorden het Jesaja ons voorzeggen: ‘ik ben er, door God zelf gezalfd, om armen de blijde boodschap te brengen, om mensen vrij te maken, ik ben er voor wie hunkert naar leven en een toekomst, ik ben er voor degene wiens hart is gebroken, die is opgesloten of uitgestoten.’ Het gaat niet om mij, maar om hen, één voor één, om hun toekomst, hun levensverwachting, hun levensvreugde en hun vrijheid. Want hij die mij na komt, mijn naaste, is groter dan ik, en daarom moet ik kleiner worden en hij groter, opdat ik omwille van hen verdwijn om in hen op te staan.

Met Kerstmis vieren we de geboorte van de mens die na ons komt en wiens wegbereiders wij enkel zijn, de mens voor wie ik kleiner moet worden, steeds kleiner. We geloven: in hem is God verschenen, God die altijd groter is dan we denken en ons kunnen voorstellen, en tegelijk altijd kleiner dan wijzelf. Want met de geboorte van Jezus is duidelijk geworden: God is groot in het wegcijferen van zichzelf (Fil. 2,5-11). In Jezus Messias, mens geworden woord uit Gods eigen mond, Gods hartstochtelijke liefde in vlees en bloed, wordt ons gezegd, en dat vieren we met kerstmis. en, Ík kleiner.’ Wij komen enkel tot leven,  door dat woord van God in praktijk te brengen. Want zonder mensen is God nergens. Bidden we dat dat moge gebeuren, meer en meer. Amen.