Preek op 06-12-2020, de 2e zondag van de advent, jaar B, pastoor Frank Domen

Preek op 06-12-2020, de 2e zondag van de advent, jaar B, pastoor Frank Domen

Openingswoord

Broeders en zusters, van harte welkom op deze tweede zondag van de heilige adventstijd. Wij hebben de tweede kaars aangestoken. Wij zijn weer een station dichter bij de komst van de Heer. Er komt meer licht in de duisternis. Licht voor onszelf, maar ook licht om door te geven aan mensen, die God ons op onze levensweg laat ontmoeten. Geen ontmoeting is toevallig. Het is altijd óf door God geregeld óf door God voorzien en toegelaten.

Voor de meesten van ons is het héél lang geleden, dat wij voor school huiswerk hebben gemaakt. Maar we weten: huiswerk is heel belangrijk.

Jongere ouders moeten misschien soms hun kinderen aansporen om toch maar eens hun huiswerk te maken: “Over drie weken is er een proefwerk en anders wordt het niets.”

Wij hoeven over drie weken geen examen te doen, maar er staat wel nog iets belangrijkers te gebeuren: Gods Zoon wil in ons hart geboren worden. Maar dan moeten wij wel ons ‘huiswerk’ hebben gemaakt, ons hart zo geschikt mogelijk hebben gemaakt. Wij weten, dat Gods Zoon met weinig tevreden is – een arme oude stal is wat Hem betreft prima – maar zoals Sint Jozef de stal toch wel een beetje zal hebben opgeruimd, zo moeten ook de stal van ons hart klaarmaken.

Beste medegelovigen, voor mezelf heb ik een adventslijstje van 19 voornemens gemaakt. Na een paar dagen had ik in de gaten, dat sommige niet vol te houden zijn, maar er blijven er nog genoeg over. Belangrijk is dat wij iets doen, zoals Jozef en Maria een reis van drie dagen ondernamen onder moeilijke omstandigheden.

Doen wij in deze vier weken iets extra’s … of niet? Doen wij het niet, dan is het maar de vraag – o, ik hoop, dat ik niet te streng ben – of er met Kerstmis een nieuw licht aan de hemel verschijnt. Ondernemen wij enige moeite – dat deden bijvoorbeeld ook de herders door midden in de nacht naar het Kind te gaan kijken – dan maken we goede kans, dat ook wij het licht van de engelen zien.

Aan ons de keuze!

Openingsgebed

Laat ons bidden. God, Gij roept uw volk op de paden recht te maken en de weg te effenen voor uw komst. Wij vragen U: laat onze bekering vrucht dragen; maak ons waakzaam en vol ijver opdat uw Rijk zou komen. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … Amen.

Kinderwoorddienst (alleen om 16.00 uur)

Preek

Jullie hebben het vast weleens gezien: van die prachtige, kostbare middeleeuwse handschriften met van die heel grote beginletters, initialen, rijk versierd, vaak zit er een bijbels tafereel in verwerkt.

Iets dergelijks zien wij ook aan het begin van het Marcusevangelie. Het is een groots en plechtig begin: “Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God”. Nou, als zo Iemand gaat spreken, dan moet er wel iets heel belangrijks komen. Zo geeft Marcus aan zijn evangelie als het ware een titel en hij werkt die Blijde Boodschap uit met vele woorden en daden van Jezus, zestien hoofdstukken lang.

Onze vriend Marcus ziet de komst van Jezus Christus als een grote omwenteling in de wereldgeschiedenis. Opeens is bekend welke kant wij in het leven moeten opgaan. God had tot dan toe altijd wel voor de wereld gezorgd, voor ieder mens, die ervoor openstond, maar nu is er voor die zorg een zichtbaar teken: zijn eigen Zoon, Jezus Christus, die als mens, als Godmens, onder de mensen door het leven gaat: God lichamelijk op aarde.

Er is veel misgegaan in de geschiedenis der mensheid, maar God zal nooit zijn vertrouwen in de mensen opzeggen. Midden in de tijd verschijnt zichtbaar Gods Blijde Boodschap.

God had ooit al met de schepping een begin gemaakt. Nu doet Hij dat weer, een nieuw begin, door middel van zijn Zoon. En Die is vastbesloten alles tot een goed einde te brengen.

Het begin van het evangelie is een troostende boodschap, zoals die ons in de eerste lezing van vandaag wordt voorgehouden. Want het is op die woorden, dat Johannes de Doper in zijn prediking zinspeelt: “Troost, troost toch mijn Stad, spreek Jeruzalem moed in, roep haar toe, dat haar straftijd voorbij is. Uw God is op komst!”

Iedere tijd opnieuw is deze Blijde Boodschap hard nodig, ook in onze tijd. Want hoe veel mensen zijn er niet, die last hebben van angsten!? Wetenschap en techniek kunnen bijvoorbeeld wel steeds meer bereiken, maar dat gebeurt niet altijd ten goede. Zo zijn er mensen, die bang zijn voor een kernoorlog, bang dat de wereld door milieuvervuiling ten onder zal gaan, mensen zijn bang voor werkeloosheid. Ook in onze tijd hebben wij heel veel troost nodig.

Er zijn mensen, die troost zoeken, genezing, in de spreekkamers van psychiaters en psychologen en deze beroepskrachten kunnen inderdaad goede ideeën aandragen. Minder geslaagd is, dat niet alleen jongere mensen, maar ook volwassenen troost zoeken of afleiding in alcohol en drugs. Andere mensen gaan helemaal op in hun werk, verliezen er zich in, zodat zij niet aan diepere levensvragen hoeven of kunnen denken. En zij, die geen troost vinden, kunnen vervallen in verbittering en moedeloosheid.

Wij, mensen van de Kerk, hebben tegenover al deze angstige mensen een prachtige opdracht: wij mogen mensen van de vreugde zijn. Wij mogen al deze mensen troosten door te zeggen: “Troost u, de Heer komt!”

Wij leven niet in een godverlaten wereld. Ja, veel mensen hebben God verlaten, maar God laat ons niet aan ons lot over. Hij blijft ons achternalopen – als de Goede Herder, die op zoek is naar het verloren schaap – en draagt zorg voor ieder van ons en waar Hij openingen vindt helpt Hij ook anderen, die nog niet geloven. Wij zijn in goede handen. Hijzelf zal komen om de wereld te redden. Soms gaat de mensheid inderdaad door diepe dalen, maar dankzij God zal het uiteindelijk allemaal goed aflopen.

Wij, christenen, hebben in deze wereld de opdracht Blijde Boodschap te zijn. Daar bedoel ik mee, dat wij niet alleen over blijdschap moeten praten als wel, dat wij haar moeten uitstralen, beleven, voorleven. Mensen zouden moeten kunnen zien, dat wij, christenen, in alle omstandigheden hoopvolle mensen blijven.

Zijn wij hoopvolle mensen? Of is ons gezicht getekend door rimpels? Niet de rimpels van de oude dag, maar rimpels van een overmatige bezorgdheid, rimpels, die ook jonge mensen kunnen hebben?

Het klinkt misschien vreemd als wij zeggen, dat wij onze vreugdeboodschap moeten waarmaken! Vreugde is toch niet iets wat je kunt afdwingen!? Je bent blij of je bent het niet. Dat klopt, beste medeparochianen, maar wij kunnen wel werken aan onze blijdschap, aan onze christelijke blijdschap.

Christelijke blijdschap is niet wat wij bij sommige televisieprogramma’s zien: van die praatprogramma’s waarin mensen kromliggen van het lachen om de soms meest onzinnige opmerkingen, met hun mondhoeken opgetrokken van het ene oor naar het andere.

Nee, christelijke blijdschap ligt dieper, heeft alles te maken met intense dankbaarheid vanwege wat God en mensen voor ons doen. Christelijke blijdschap ziet het kruis, in het eigen leven én in leven van dierbare medemensen, maar weet ook, dat alle lijden uiteindelijk overwonnen zal worden, dat achter het kruis het licht van de verrijzenis schijnt.

Wij, christenen, mogen voor mensen, die het leven niet meer zien zitten, een teken van hoop zijn, zodat ook zij het goede weer gaan zien, dat er ook nu toch nog is, zodat ook zij weer vertrouwen krijgen in de toekomst.

Zo’n levenshouding vraagt natuurlijk allereerst van onszelf een echte bekering. Komt dat even goed uit, want daarvoor is deze adventstijd bedoeld. Wij moeten allereerst er heilig van overtuigd zijn, dát er een eeuwig leven is waarin wij met alle mensen van goede wil samen, onder de hoede van God, voor eeuwig gelukkig zullen zijn. Nooit meer zal er één momentje van droefheid zijn! Maar wij mogen ervan overtuigd zijn, dat wij met God en met elkaar ook hier en nu tot een betere wereld kunnen komen. Dat moeten wij uitstralen. Daar moeten wij samen aan werken.

Hoe kunnen wij meer blijdschap verkrijgen, die echte, diepe, christelijke blijdschap? Sommige mensen zijn misschien vooral gewend naar hun zonden te kijken. Dat is ook belangrijk. Wie zijn zonden niet goed kent, kan niet werken aan zijn verbetering.

Maar wij zouden ook eens kunnen kijken naar al het goede, dat er in ons eigen leven is en in het leven van medemensen.

Mag ik jullie een beetje ‘huiswerk’ meegeven? Ga vanavond of morgen even rustig zitten en probeer eens tien goede dingen uit je eigen leven op te noemen. Niet snel achter elkaar, maar rustig, om de beurt. Kijk elke goede zaak even rustig aan. Zie hoe belangrijk deze is, je goed doet, misschien ook andere mensen goed doet. En dank God dan met heel je hart, dat je dit hebt mogen ontvangen. In de geest van moeder Maria, die in haar Magnificat met heel haar hart uitjubelde: “Wonderbaar is het wat God mij deed”. En gaan wij dan over naar de volgende reden tot dankbaarheid, tien keer achter elkaar. Of verspreid over een paar dagen. Wij zullen de blijdschap en dankbaarheid in ons voelen binnenstromen.

Ik wens jullie in deze adventstijd veel blijdschap toe. Laten wij vooral blij en dankbaar zijn om de Menswording van onze Heer. Dankbaar, dat wij als christenen één familie mogen vormen in goede en in slechte dagen. Amen.