Preek op 03-01-2021, hoogfeest van Openbaring des Heren, pastoor Frank Domen

Preek op 03-01-2021, hoogfeest van Openbaring des Heren, pastoor Frank Domen

Openingswoord

Broeders en zusters, welkom op dit feest van Openbaring des Heren of ook wel Driekoningen. De Wijzen uit het Oosten zijn na een lange reis met hun personeel en kamelen bij de stal aangekomen. Zij hebben bijzondere geschenken bij zich: goud, wat verwijst naar het Koningschap van Jezus; wierook, wat te maken heeft met Jezus’ priesterschap; mirre, een link naar zijn bittere lijden en sterven.

Natuurlijk waren Maria en Jozef blij met deze geschenken en toen Jezus er qua leeftijd rijp voor was, zal Maria wel aan het Kind Jezus de betekenis ervan hebben uitgelegd.

Maar ik denk, dat Maria en Jozef nog blijer waren met de visite zelf dan met hun geschenken.

De Wijzen waren namelijk mensen van een andere cultuur, met een ander geloof. Maar ook al gingen zij andere wegen dan de joden, zij kwamen toch uit bij het Christuskind. Er zijn in onze wereld blijkbaar meerdere waarheden, die kunnen leiden naar Jezus Christus en zijn Kerk. Maria en Jozef realiseerden zich, misschien stapje voor stapje, dat de komst van deze vreemdelingen aanduidde, dat hun Zoon de Redder zou worden, niet alleen van Israël, maar van alle volken op aarde.

Laten wij altijd openstaan voor andere mensen. En vooral, laten wij net als de drie Wijzen blijven zoeken naar de waarheid. Zolang wij op deze aarde zijn, zijn wij nog niet in het volle licht, kennen wij de waarheid nog niet ten volle. Voor wie het zoeken opgeeft wordt het leven een stuk oppervlakkiger en mistiger. Maar wie blijft zoeken, zal het eens ten volle vinden. Wie met God leeft, mag altijd openstaan voor verrassingen.

Openingsgebed

Laat ons bidden. God, Gij hebt vandaag aan de volkeren door een ster, die hen leidde uw eniggeboren Zoon geopenbaard. Wij bidden U: leid ons, die U reeds kennen door het geloof, tot het aanschouwen van uw heerlijkheid. Door … Amen.

Kinderwoorddienst om 16.00 uur

met Ada Bakker

Preek

Broeders en zusters, als wij mensen zijn met een overtuiging, roept dat bij andere mensen reacties op. Sommige mensen zullen het met ons eens zijn, anderen niet. En hoe sterker onze overtuiging is, hoe heftiger de reacties.

Als een middelbare scholier het leuk vindt om de hele dag te klieren, zal zijn aanhang bestaan uit enkele andere lolbroeken, maar de leerlingen, die iets willen leren, zullen dit al gauw vervelend vinden, evenals de leraren. Is een andere leerling daarentegen serieus, dan zullen de leraren met hem weglopen; sommige medeleerlingen zullen bewondering hebben vanwege zijn resultaten en hem om hulp of advies vragen; en de raddraaiers in de klas zullen hem een watje vinden, een vriendje van de meester.

Jezus Christus had een uitgesproken mening. Daarom had Hij een grote aanhang, maar ook de nodige tegenstanders. Dat was ook voorspeld. Toen Jozef en Maria hun Kind in de tempel opdroegen, nam de oude grijsaard Simeon het Kind in zijn armen en sprak: “Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt” (Lucas 2, 34). En Jezus zelf zei ooit, dat er een tijd zou komen, dat mensen binnen één familie tegen elkaar zullen opstaan, omdat de één wel zou geloven en de ander niet (Marcus 13, 12).

Wij zien bij Jezus ook van kleins af aan, dat Hij omgeven is door voor- en tegenstanders. Maar dat de tegenstanders uit zijn eigen volk voortkomen – Herodes is de koning van de Joden – dat verbaast ons en mag ook extra pijn doen. En de voorstanders? Dat zijn eenvoudige herders én … Wijzen uit het Oosten, die niet bij de joden horen, vreemdelingen zijn, allochtonen. Zij horen echter tot de eerste mensen, die Jezus komen aanbidden.

Wij zien het: de mensen, die zoeken – de Wijzen – zullen vinden, en de mensen, die menen te hebben – koning Herodes – raken het kwijt. De mensen van ver zijn het meest dichtbij. De laatsten worden de eersten.

De Wijzen uit het Oosten, beste medegelovigen, zijn eerlijke zoekers. Zij zien een bijzondere ster aan de hemel en hebben er geen natuurlijke verklaring voor. Dan maar een bovennatuurlijke verklaring gezocht. Zij komen uit bij Bileam, de profeet uit het boek Numeri, die gezegd heeft, dat er een ster zal oprijzen uit Jakob, een scepter – een koningsstaf – zal oprijzen uit Israël (24, 17).

Na hun ontdekking laten zij alles en iedereen achter en gaan op zoek naar de nieuwe prins. En zij verwachten – zij weten nog niet, dat God van alles op z’n kop zet – dat hij in het paleis is geboren. Zij melden zich daarom bij Herodes, maar die blijkt van niets te weten. De priesters en schriftgeleerden weten, dat de profeet Micha heeft gezegd (5, 1), dat ooit in Bethlehem iemand zal opstaan, die zal heersen over Israël.

Koning Herodes is geschokt. Hij had gewoon koning van Israël kunnen blijven. Jezus kwam namelijk niet als concurrent. En bij de heiligen kunnen we lezen, dat Herodes zelfs in de hemel kon heersen. In de hemel lopen we namelijk niet alleen maar rond een beetje blij te zijn, ook daar hebben we een taak. Het was geloof ik de kleine Teresia, die zei, dat ze vanuit de hemel nog beter voor ons zou kunnen zorgen.

Maar nee, koning Herodes verzint een plan om het Kind te doden. De drie Wijzen vervolgen echter hun weg en, geleid door de ster, vinden zij het Kind. Hun zoektocht is beloond. Zij knielen aanbiddend neer en bieden hun geschenken aan.

Ook wij hebben het Kind gezocht en gevonden. Welke geschenken bieden wij aan? Het mooiste geschenk is ons hart. Dat wij, wat wij voor God en de mensen doen, met veel liefde en aandacht doen: het meevieren van de heilige Mis, het verrichten van onze dagelijkse gebeden; onze plichten, thuis, op school, op het werk of in een vereniging, en niet te vergeten mensen als een oude buurvrouw, die pas weduwe is geworden. Die liefde en aandacht zijn altijd belangrijk, maar in onze tijd meer dan ooit.

Er komt veel kwaad aan het licht: machtsmisbruik, mishandeling, uitbuiting en fraude, enz. En wat nog verborgen is, zal God ooit aan het licht brengen. Misschien hoeven we daar niet eens meer zo lang op te wachten.

Wij mogen tegenover al dat kwaad ónze tekens stellen. Geen goud, wierook en mirre, maar liefde en medeleven.

Het Kerstkind verlangt, dat wij werken aan vrede en eenheid onder elkaar en allen, die wij ontmoeten. In de eerste lezing zei de profeet Jesaja, dat er een licht over ons is opgegaan, hoe de glorie van de Heer over ons is gaan schijnen. En dat licht en die glorie hebben als gevolg – zo zegt Paulus in de tweede lezing – dat wij mede-erfgenamen zijn van Jezus Christus, medeleden en mededeelgenoten van de belofte tot eeuwig leven.

Dit alles betekent, dat wij bij het Rijk van God horen, het Rijk van eeuwige vrede. Is het dan niet onze roeping om die vrede uit te stralen naar alle mensen om ons heen, ongeacht hoe aardig of onaardig die mensen zijn!?

Op vele plaatsen in de wereld worden christenen vervolgd, uitgescholden, priesters worden aangevallen, kerken in brand gestoken. Zijn wij geestelijk sterk genoeg om daar in liefde op te reageren, zoals de Wijzen in gesprek waren met de boosaardige koning Herodes!?

Wij zouden niet te gauw moeten denken, dat wij genoeg doen of dat wij de dingen met voldoende liefde doen; dat af en toe een kaarsje opsteken alle problemen in Kerk en samenleving zal oplossen. Wij zouden niet bang moeten zijn, dat mensen ons fanatiek vinden. De mensen, die dergelijke dingen zeggen, zijn altijd de mensen, die zelf te weinig doen voor God en medemens. Wat wij doen is normaal; zonder te willen oordelen … zijzelf schieten tekort.

Zagen wij niet, dat Jezus Christus een man was met een sterke overtuiging, een man van kracht, die bewondering opriep, navolging, maar ook weerstand? Willen wij gewelddadige mensen kunnen winnen voor het Koninkrijk, dan kan dat alleen maar met héél véél liefde … in woord én in daad.

Ook wij mogen mensen zijn met een overtuiging. Ook van ons móét er in deze gewelddadige en losgeslagen tijd een liefdevolle kracht uitgaan. Dat roept hopelijk bewondering op, maar het gaat vooral om de goede daad zelf en om de navolging daarvan door andere. En dat het ook weerstand oproept, och, dat gaat wel voorbij. Alle stormen gaan voorbij, maar een ster blijft altijd schijnen.

Zijn wij wijzen en doen wij grote moeite voor God en voor alle mensen, die wij op onze levensweg tegenkomen. Amen.