Pinksteren – uit een Preek van de heilige paus Leo de Grote († 461)

Pinksteren – uit een Preek van de heilige paus Leo de Grote († 461)

Uit een Preek van de heilige paus Leo de Grote († 461)

De werken van de heilige Geest.

Paus Leo de Grote

Allen die in de Heer Jezus geloofden, bezaten de heilige Geest die hun was geschonken. Ook hadden de apostelen de macht om zonden te vergeven reeds ontvangen, toen de verrezen Heer over hen had geblazen en gezegd: ‘Ontvangt de heilige Geest. Van wie gij de zonden vergeeft, hun zijn ze vergeven, en van wie gij de zonden niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven’ (Joh. 20, 22-23).

Maar vanwege de vervolmaking die nog aan de leerlingen moest worden geschonken, wachtte hen een veel grotere genade en een veel rijkere gave van de heilige Geest. Aldus zouden zij krijgen wat ze nog niet hadden ontvangen, en wat zij hadden ontvangen, zouden zij op een nog betere wijze bezitten. Daarom had de Heer gezegd: ‘Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen. Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen’ (Joh. 16, 12-14).

Reeds eerder had Jezus verklaard: ‘Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord’ (Joh. 15, 15). Maar waarom zegt Hij dan, als Hij de heilige Geest belooft: ‘Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen’ (Joh. 16, 12-13)? Wilde de Heer soms te verstaan geven dat zijn eigen kennis minder was of dat Hij niet zoveel van de Vader had vernomen als de heilige Geest? Toch is Hijzelf de waarheid, toch kan zonder het Woord de Vader niets zeggen en de heilige Geest niets meedelen. Er staat immers geschreven: ‘De Geest zal van Mij ontvangen’ (Joh. 16, 15). Want wat de Geest ontvangt, wordt gegeven door de Vader, en de Zoon geeft dit op zijn beurt.

Het ging er dus niet om een andere waarheid mee te delen of een andere leer te verkondigen, maar het bevattingsvermogen van de leerlingen te vergroten en de standvastigheid van hun liefde te versterken. Dan zou de vrees worden uitgedreven (vgl. 1 Joh. 4, 18) en zouden zij niet bang hoeven te zijn voor de woede van hun vervolgers. Nadat de apostelen opnieuw en nog overvloediger de heilige Geest hadden ontvangen, zijn zij dan ook vuriger gaan verlangen naar dit ideaal en hebben zij dit ook inderdaad verwezenlijkt. Want van de kennis van de leer kwamen zij tot het verdragen van lijden: onbevreesd bij storm en ontij, stonden zij voortaan door de kracht van hun geloof boven de golven van de wereld en boven de woelingen van de geschiedenis, en verkondigden zij met ware doodsverachting aan alle volken het evangelie van de waarheid.

Wat ons betreft, geliefden, wij moeten deze hoogheilige feestdag vieren met een eredienst in geest en waarheid en met oprechte vreugde. Wij zijn immers wedergeboren en vernieuwd door de heilige Geest, aangenomen als kinderen van God en bestemd voor een eeuwig geluk naar ziel en lichaam. Laten wij vandaag met de heilige apostel Paulus belijden dat de Heer Jezus Christus is opgevaren naar den hoge, gevangenen heeft meegevoerd en gaven geschonken aan de mensen (vgl. Ef. 4, 8). Want God heeft gewild dat in alle talen van de mensheid het evangelie wordt verkondigd en iedere tong belijdt dat de Heer Jezus Christus in de heerlijkheid van God de Vader is (vgl. Fil. 2, 11 – Vulg.).