Overweging ter voorbereiding van de zondag

Overweging ter voorbereiding van de zondag

Uit een homilie van de heilige paus Gregorius de Grote († 604)

Het voorbeeld van Christus, de goede herder.

In de lezing van het heilig evangelie hebt gij, broeders en zusters, een les ontvangen die u aangaat, maar tevens hebt gij gehoord van een gevaar dat ons bedreigt. Want Hij die niet op grond van een bijkomstige gave, maar krachtens zijn wezen goed is, zegt: ‘Ik ben de goede herder’ (Joh. 10, 11). En het voorbeeld ter navolging van deze goedheid voegt Hij hieraan toe met de woorden: ‘De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen’ (Joh. 10, 11b). Hij heeft deze les in praktijk gebracht en laten zien wat Hij bevolen heeft.

De goede Herder heeft zijn leven voor zijn schapen gegeven; Hij heeft van zijn lichaam en bloed ons sacrament gemaakt om de schapen, eenmaal vrijgekocht, te voeden met zijn eigen vlees. Hij heeft de weg getoond die wij moeten volgen: wij moeten ons richten naar zijn voorbeeld en niet bang zijn voor de dood. Onze eerste plicht is het vol mededogen onze uitwendige goederen aan zijn schapen te besteden. Maar uiteindelijk moeten wij, indien dit nodig is, ons leven voor de schapen aanbieden. Wij moeten echter met het eerste en minste beginnen om te komen tot dit laatste en grootste. Maar als het leven dat wij bezitten van onvergelijkelijk groter waarde is dan onze aardse goederen, hoe zou men dan zijn leven voor zijn schapen kunnen geven, als men zijn stoffelijke gaven niet aan hen wil besteden?

Er zijn er die de naam van herder verspelen, omdat zij meer waarde hechten aan hun aardse bezit dan aan hun schapen. Voor hen geldt wat de Heer in het vervolg zegt: ‘Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg’ (Joh. 10, 12). Huurling, geen herder, wordt hij genoemd die de schapen van de Heer niet uit innerlijke liefde weidt maar om tijdelijk gewin. Want huurling is hij die wel de plaats van de herder inneemt, maar om het geestelijk heil van de schapen niet bekommerd is. Hij jaagt aards voordeel na, laat zich voorstaan op zijn waardigheid, weidt zichzelf door tijdelijk gewin en vindt genoegen in het ontzag dat anderen voor hem hebben. Hierin bestaat het loon van de huurling: als vergelding voor zijn moeite vindt hij hier reeds wat hij zoekt, terwijl hij zich berooft van wat de kudde hem in de toekomst zal opleveren.

Of zo iemand echter herder is dan wel huurling, komt niet aan het licht als er geen onheil dreigt. Want in rustige tijden waakt de huurling meestal evenzo over de kudde als de echte herder. Maar wanneer de wolf nadert, blijkt met welke bedoeling men over de kudde waakte. Welnu, de wolf komt op de schapen af wanneer een boosaard en rover eenvoudige gelovigen wil overmeesteren. Dan laat hij die een herder leek te zijn maar het niet was, de schapen in de steek en vlucht weg. Omdat hij bang is voor het gevaar dat hem bedreigt, durft hij geen weerstand te bieden aan het onrecht. Hij vlucht weg, niet door van plaats te veranderen, maar door zijn steun te onthouden. Hij vlucht omdat hij onraad heeft bemerkt en gezwegen heeft. Hij vlucht omdat hij zich in stilzwijgen hult. Op zulke mensen is het woord van de profeet van toepassing: ‘Gij zijt niet op de bres gaan staan en hebt geen muur opgetrokken rond het volk van Israël, opdat ge stand zoudt kunnen houden in de strijd op de dag van de Heer’ (Ez. 13, 5 Vulg.). Op de bres gaan staan wil zeggen: zich met verstandige taal te weer stellen tegen elk machtsmisbruik. Op de dag van de Heer houden wij stand en trekken een muur op, als wij weerloze gelovigen met een klemmend beroep op de rechtvaardigheid tegen onrecht verdedigen. Omdat de huurling dit niet doet als hij de wolf ziet naderen, vlucht hij weg.

Maar onze Verlosser heeft de schuld van de valse herder in het licht gesteld. Daarom heeft Hij ten tweeden male gewezen op het voorbeeld waarnaar wij ons moeten richten: ‘Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen’ (Joh. 10, 14).