Overweging bij de lezingen van zondag 13-01-2019, feest Doop van de Heer

Overweging bij de lezingen van zondag 13-01-2019, feest Doop van de Heer

Doopsel van de Heer – Lucas 3,15-16.21-22

Met het feest van het Doopsel van de Heer eindigt vandaag de kersttijd. Ook de advent hoort daarbij. Maar sinds 25 december hebben de grote liturgische feesten elkaar in een hoog tempo opgevolgd.

Met Kerstmis: de geboorte van de Heer. De zondag daarna: de heilige Familie, Op 1 januari: het goddelijk moederschap van Maria. De eerste zondag van het nieuwe jaar; de Openbaring des Heren. Op zijn oude datum van 6 januari mag dit feest nog eens worden overgedaan. Ten slotte is er dan het Doopsel van de Heer, in principe gevierd op de zondag na epifaniezondag. Maar als deze epifaniezondag na 6 januari valt, dan verhuist het Doopsel naar de maandag hieropvolgend, 8 of 9 januari dus. Deze kalendervariante wordt soms in kerkelijke kringen met wat humor liturgische hightech genoemd. Het lijkt wat ingewikkeld. Het lijkt in elk geval ook wat overdadig: wat een rijkdom aan feesten in deze korte tijdspanne!

Je zou redelijkerwijze geneigd zijn te denken dat het feest van vandaag er in feite niet bij hoort, aangezien het niet Jezus’ kinder- of jeugdtijd betreft, maar het begin tekent van zijn zogeheten openbare leven. Meteen zou het geheel dan wat minder overdadig worden. Maar het hoort erbij, precies om de brug te slaan, om de band te leggen, om duidelijk te stellen dat de kerstfeesten niet losstaan van wat volgt, integendeel.

Voor mij mag de overdaad nog iets groter en mag er nog eentje aan worden toegevoegd, aan de lange rij van de feesten: het feest namelijk van de bruiloft van Kana. Dit lijkt wel heel vergezocht, of niet?
Een argument pro vind ik in een tekst die voorkomt in de liturgie van Epifanie, het feest van de Openbaring des Heren, meer bepaald in het getijdengebed. Een belangrijk deel hiervan is zeker het avondgebed, de vespers. En de belangrijkste antifoon hierin is zeker die van het Magnificat aan het einde van de vespers. Dat keervers is uiterst merkwaardig:

“Drie wonderen verlenen luister aan de heilige dag die wij vieren; heden leidde een ster de wijzen naar de kribbe; heden werd water in wijn veranderd op een bruiloftsmaal; heden wilde Christus door Johannes in de Jordaan gedoopt worden om ons te redden.”

Merkwaardig van alles is nog het tot driemaal toe herhaalde woordje ‘heden’. ‘Heden’ leidde een ster de wijzen naar de kribbe; ‘heden’ werd water in wijn veranderd; ‘heden’ wilde Christus door Johannes gedoopt worden. Dat laat geen twijfel bestaan. Op dit ene feest van de Openbaring des Heren, zo zingt het Magnificatrefrein, vieren wij het ene en het andere: Driekoningen, Doopsel en Kana. Er valt trouwens op te merken dat de volgorde waarin de feiten worden genoemd, een extra anachronisme vormt: eerst het bezoek van de wijzen okee, maar dan het wijnwonder van Kana en daarna pas het Doopsel van de Heer.

Tot troost: het morgengebed, de metten van hetzelfde epifaniefeest vertellen zo mogelijk nog een sterker verhaal. De belangrijkste antifoon hier, die van het Benedictus, de lofzang van Zacharias, gaat helemaal dezelfde richting uit als de hierboven genoemde:

“Heden is de kerk met haar hemelse bruidegom verbonden, want in de Jordaan heeft Christus haar van zondesmet gereinigd; de wijzen komen met geschenken naar de koninklijke bruiloft en de gasten verheugen zich over het wonder van het water dat in wijn is veranderd.”

Van anachronisme gesproken: hier komt eerst het Doopsel en dan pas is het de beurt aan de wijzen uit het Oosten, maar die zijn niet op bezoek in Bethlehem. Ofwel is dat vroeger al gebeurd en zijn ze nu te gast op de bruiloft van Kana. En het hele verhaal begint met het woordje ‘heden’.

Hoe moeten wij deze beide teksten verstaan? Hoe kunnen wij ze verklaren? Er moet toch een zinnige reden voor zijn.

Mies heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis van de liturgische vieringen rondom het mysterie van de menswording, die heel verschillend is geweest in de westerse dan wel in de oosterse kerk. In het Westen werd het… Kerstmis, in het Oosten… Epifanie.

Welnu, beide feesten zijn los van elkaar ontstaan, al was dat ongeveer tegelijkertijd, namelijk toen in de vierde eeuw de theologische reflectie op gang kwam over het Christusmysterie van incarnatie en menswording. Het veeleer realistische Westen legde de volle nadruk op de menswording door het uitbouwen van de gedachtenisvieringen van Jezus’ geboorte en kindsheid, zo beeldrijk verteld in de eerste hoofdstukken van het Lucas-evangelie.

Het meer spiritualistische Oosten ging direct van ‘start’ met de eerste manifestaties, de eerste optredens van de volwassen Jezus: het wijnwonder op de bruiloft van Kana, het eerste Messiaanse teken in het Johannesevangelie, maar vooral het Doopsel van de Heer, het eerste grote Christusfeit bij de synoptici, ook door Johannes vernoemd. Tussen beide, tussen West ware het bindteken. Want de oosterse en westerse theologie en liturgie zijn met de jaren inderdaad naar elkaar toe gegroeid, al mag je dat zeker niet overschatten.

Het Oosten heeft hier en daar, zeker niet algemeen, het verhaal van Driekoningen als hét jeugdfeit in zijn vieringen geïntegreerd. Het Westen heeft het feest van Epifanie met name overgenomen, maar uitsluitend ingevuld met dit driekoningenverhaal. Kana en de Doop komen in dat verband niet aan bod, als deel uitmakend van het grote epifaniefeest, tenzij dan in die beide prachtige en poëtische antifonen. Beide zijn het waard om nog eens geciteerd te worden. Nu geven wij de Benedictusantifoon haar beurt; straks aan het einde de Magnificatantifoon:

“Heden is de kerk met haar hemelse bruidegom verbonden, want in de Jordaan heeft Christus haar van zondesmet gereinigd; de wijzen komen met geschenken naar de koninklijke bruiloft en de gasten verheugen zich over het wonder van het water dat in wijn is veranderd.”

Wat een rijkdom wordt in deze teksten tentoongespreid, niet qua historisch-theologische logica, maar precies wat het samenbrengen naast en bij elkaar van geheel verschillende aspecten en accenten van het ene of zo veelzijdige Christusmysterie betreft. Epifanie is een meerzijdig en meerduidig feit en feest waarvan de elementen elkaars onmiskenbaar en onmisbaar complement vormen.

Reeds het ene verhaal van de aanbidding van de wijzen op zich is een goudmijn als complement van de kerstverhalen van Lucas. Hoeveel te rijker wordt bij wijze van spreken de ‘menswording’ door wat ‘geopenbaard’ werd bij het Doopsel van de Heer en bij het eerste wonder in Kana. Elk verhaal, ook het laatste verdient zijn eigen feest. Maar evenzeer verdienen zij het samengebracht en niet volledig van elkaar gescheiden te worden.

Het spreekt vanzelf dat vandaag onze aandacht vooral uitgaat naar het doopselgebeuren, maar laat het dan zijn als een stuk Epifanie, een openbaringsgegeven dat ons kerstgeloof enorm komt verrijken en verruimen. In die zin kunnen wij er drie elementen in onderkennen.

Bij zijn Doop heeft Jezus duidelijk willen bevestigen dat Hij de menselijkheid, het mens-zijn ten volle opnam. Het Kerstekind is een mens van vlees en bloed voor het volle mensenleven van de eendere dagen.

Daarnaast kan Jezus’ Doopsel niet los worden gezien van de diepe profetische betekenis ervan: zijn wegzinken in de Doop en zijn opstanding uit de dood, zijn kruis en zijn verrijzenis. Het Kerstekind is vanaf het begin de gekruisigde en verrezen heer.

Ten derde werpt het doopgebeuren van de Heer een direct licht op zijn goddelijkheid, op de Drie-eenheid van Vader, Zoon en Geest. Het Kerstekind is de veelgeliefde Zoon van de Vader op wie de Geest is neergedaald: en die de Geest zal Zenden.

Hiermee is nog eens extra onderstreept dat het feest van vandaag helemaal thuishoort binnen de kerstkring: het laatste kerstfeest, de laatste kerstdag als een profetische en toekomstgerichte bevestiging van de eerste.

En wat Kana betreft, de Bruiloft heeft het nooit tot een eigen liturgisch feest gebracht. Vóór het tweede Vaticaans concilie werd het evangelie van Kana gelezen op de tweede zondag na Driekoningen. Zo was het nog enigszins een uitloper van Kerstmis Met het concilie is het nog wat meer op de achtergrond geraakt door het enkel maar te lezen op de tweede zondag door het jaar van cyclus C, toevalligerwijze en gelukkig volgende zondag. En ook gelukkig is dat we nog de Magnificatantifoon van onze epifanievespers hebben.

Drie wonderen verlenen luister aan de heilige dag die wij vieren: heden leidde een ster de wijzen naar de kribbe; heden werd water in wijn veranderd op een bruiloftsmaal; heden wilde Christus door Johannes in de Jordaan gedoopt worden om ons te redden.

 


Dionysiusparochie