Overweging bij de lezingen van zondag 24-03-2019, 3e zondag van de veertigdagentijd, jaar C

Overweging bij de lezingen van zondag 24-03-2019, 3e zondag van de veertigdagentijd, jaar C

Lucas 13,1-9

Het evangelie heeft het over politiek geweld en de slachtoffers ervan: verzetsstrijders die durfden op te komen voor hun ideaal, maar zonder pardon door de heersende bezettingsmacht werden afgestraft. Het evangelie heeft het over ongelukken en rampen waar onschuldige mensen het slachtoffer van zijn.

Zo te zien zijn de tijden niet erg veranderd in de loop van de tweeduizend jaren geschiedenis tussen toen en nu. Jeruzalem ten tijde van Pilatus en Jeruzalem nu. Dat met die ingestorte torens in Jezus’ tijd en dat met die aardschokken of die talloze verkeersongevallen in onze dagen.

Het eerste feit wordt door enkele mensen aan Jezus verteld, of beter: aan Jezus voorgelegd. Zij willen er duidelijk zijn reactie op vernemen. Misschien willen zij uitlokken dat Hij zich afzet tegen de Romeinse bezetter, zoals die keer dat Hem de vraag werd gesteld of je aan de keizer al dan niet belasting mag betalen: kwestie van Hem politiek eens flink te compromitteren. Of willen zij Hem verwijten dat het feitelijk zijn schuld is dat dit is gebeurd, omdat Hij die eenvoudige Galileeërs met zijn prediking heeft opgeruid tegen het Romeinse gezag met alle gevolgen van dien? Uit de rest van het verhaal, onder meer uit het tweede feit dat door Jezus zelf in zijn antwoord te berde wordt gebracht, blijkt dit niet de drijfveer van de vraagstellers te zijn geweest.

De mensen wilden van Jezus horen dat Hij achter hen stond in de algemeen aanvaarde opinie dat dit niet anders kon worden gezien dan als een straf van God voor de een of andere onbekende fout uit het verleden van de betrokkenen: die onrechtvaardige executie, noem het maar moord, net als alle rampen en ongelukken, alle armoede, ziekte en tegenslag te zien als een straf van God. Hoe kun je anders ook maar enigermate verklaren dat een rechtvaardige God dit zou toestaan?

Vroeger ging men er inderdaad van uit dat een of andere fout de verborgen oorzaak of reden was van alle onheil dat mensen overkwam. In onze moderne tijd weten wij wel beter, al denken wij er nog vaak stilletjes of zelfs hardop vlug bij: Waarom konden die mensen niet wat beter opletten? Waarom namen zij hun voorzorgen niet? Of konden die jongelui niet wat voorzichtiger zijn? Ook vandaag nog vinden wij graag een fout of schuld om onheil en ongeluk te verklaren.

Jezus’ antwoord daarop is duidelijk: neen! Heel zijn boodschap en getuigenis zijn een duidelijk neen aan deze godsidee of levensvisie. Integendeel! Hij prijst de armen zalig, de hongerigen, de noodlijdenden. Hij prijst zalig die worden vervolgd.

Uiteraard zal God, de rechtvaardige Rechter, uiteindelijk het goede belonen en het kwade bestraffen. Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar, zegt Jezus, dat mag je niet andersom draaien en uit het wel en wee dat mensen overkomt, afleiden dat dit inderdaad Gods loon of straf is voor goed of kwaad.

Het ongeluk dat mensen treft, kan te maken hebben met eigen schuld, kan een natuurlijke bestraffing zijn voor overmoed en roekeloosheid. Dat leren ons de logica en de ervaring. Maar het is zeker niet bij bepaling zo. Dezelfde logica en ervaring leren ons dat er talloze onschuldige slachtoffers zijn van rampen en ongelukken, dat er heel veel lijden is dat helemaal niet met schuld of fout te maken heeft.

Mensen willen echter voor alle lijden en misère een schuldige kunnen aanwijzen. Is het niet het slachtoffer of iemand uit diens kring, dan moet het God zelf wel zijn. Waarom laat een goede God zoveel zinloos lijden toe? Waarom laat een gerechte God zoveel menselijk kwaad toe?

Mensen kunnen zo node leven met het probleem van het lijden als een mysterie dat hen overstijgt, zoals het voor Jezus Christus zelf zijn leven lang een mysterie is gebleven.

Iets geheel anders, zegt Jezus, dat je hierbij steeds bedenken en beseffen moet, is dat alle mensen, hoe goed of welgesteld ook, hoe arm of hulpbehoevend ook, allemaal even schuldig zijn tegenover God: allemaal bij God in het krijt staan, een schuld in te lossen hebben, getekend als ze zijn door menselijke kleinheid en onvolkomenheid, tot kwaad en zonde toe. De gezonden en de zieken, de armen en de rijken: allen hebben zij behoefte aan bekering.

En dan overvalt Jezus zijn toehoorders met de parabel van de onvruchtbare vijgenboom. Uit die parabel moet duidelijk worden wat het betekent: zich bekeren. Uiteraard wil dat zeggen: opnieuw braaf worden, opnieuw doen wat je moet doen, opnieuw de juiste weg opgaan. In termen van de parabel: de boom moet opnieuw of eindelijk eens vruchtbaar worden. Maar die boom zelf doet niets. En toch krijgt hij clementie en krediet. Zou de parabel dan niet veeleer iets over God willen vertellen, want die is nog niet ter sprake geweest in het net gevoerde gesprek?

Precies op het punt waar de menselijke voorstelling van een rechtvaardige God nog sterk bepaald wordt door de idee van een straffende God van wraak en vergelding, daar brengt de parabel van de vijgenboom een belangrijke nuance aan. Gods gerechtigheid werkt niet rechtlijnig en automatisch naar ons menselijk model van recht en rechtspraak. Gods gerechtigheid is immers fundamenteel gekenmerkt, als het ware geconditioneerd door barmhartigheid, noem het geduld, noem het liefde. Volgens de maatstaven van de menselijke wijsheid, het gezonde boerenverstand, heeft het geen zin om die boom nog te laten staan. Je zou kunnen zeggen dat hij geen recht meer heeft om nog langer die goede moedergrond uit te putten. Hak hem om! Alle kansen om zich te bekeren heeft hij gehad.

Dan neemt echter de boer het woord. Die heeft blijkbaar nog wat anders dan zijn gezonde boerenverstand. Hij heeft een hart. Hij is zijn hart kwijtgeraakt aan die sukkelboom. Hij is warempel van hem gaan houden, zoals mensen houden van een gehandicapt kind of leraars van de nukkigste ezels in de klas (gooi hen eruit, zegt het gezonde verstand). De wijngaardenier kan zijn dorre boom niet missen en hij gaat voor hem pleiten bij de veeleisende bezitter van de boomgaard.

Is het nu over God gegaan? Die neemt uiteindelijk wel de beslissing om geduld te blijven oefenen, om barmhartigheid te betonen, en niet zoals verwacht te vergelden en te straffen. Maar dan toch duidelijk op voorspraak van de man ertussenin, de boer tussen eigenaar en boom in, iemand tussen God en de mens in, een voorspreker, een be-middelaar, een pleitbezorger.

De boom heeft het geduld van de eigenaar te danken aan de boer. De liefde van de verzorger heeft de nutteloze en waardeloze boom tot een uniek stuk gemaakt, niet enkel in eigen ogen, maar ook in die van de eigenaar. Wij zullen er niet ver naast zijn, als wij zeggen dat Jezus zichzelf deze, rol toekent in de gelijkenis.

Wij mogen niet te ver gaan in dergelijke rolverdelingen bij parabels, maar toch komt er op deze wijze een fundamenteel kenmerk naar voren van Jezus’ zending: de scheppingsband tussen de Vader en zijn kinderen bevestigen, bewerkstelligen of herstellen. En dat werkt in twee richtingen. Jezus’ taak is het, mensen toe te vertrouwen aan Gods barmhartigheid; en andersom: Gods barmhartigheid bij de mensen kenbaar te maken en hen ervan te overtuigen.

Diezelfde taak vertrouwt Jezus toe aan zijn kerk, zijn leerlingen, aan ons. Dan wordt de rolverdeling anders, al ligt ze even dicht bij de waarheid. De bezitter van de boomgaard is God, Vader en Zoon. Zowel de boer als de boom zijn dan de mensen, in Jezus’ naam: verantwoordelijk voor elkaar.

De liefde van de mens voor zijn medemens maakt iedere mens uniek in de ogen van God: zowel de ene die liefde schenkt, als de andere aan wie ze wordt besteed. Dat is een heel andere relatie dan enkel maar op grond van recht en efficiëntie, tussen mensen onderling als tussen hemel en aarde. En tegelijk werpt het een nieuw licht op de betekenis van het begrip bekering.

Jezus’ oproep tot bekering blijft gelden als een oproep om opnieuw vrucht te dragen. Het is tevens een oproep om in het voetspoor van de boer te treden en voor vruchtbaarheid te zorgen.

Zich bekeren is: op een verantwoorde en verantwoordelijke wijze omgaan met de medemensen, in de eerste plaats met de hulpbehoevenden, de mislukkelingen; met die onvruchtbare en vruchteloze zorgenkinderen die aan jou zijn toevertrouwd en die je vaak op het randje van de radeloosheid en de wanhoop brengen, maar die klaarblijkelijk Gods eigen troetelkinderen zijn.

Zich bekeren is dan: opnieuw en altijd opnieuw geloven in mensen, investeren in mensen met alle geduld en vertrouwen.

Mogen wij, mogen vooral ouders en opvoeders in deze parabel de kracht vinden om vol te houden ondanks alle mislukking, om steeds opnieuw te beginnen: om zich te bekeren tot de barmhartigheid en het geduld van de hemel zelf.

Heel zeker werpt dat volgend jaar zijn vruchten af.