Overweging bij de lezingen van zondag 14-07-2019, 15e zondag door het jaar

Overweging bij de lezingen van zondag 14-07-2019, 15e zondag door het jaar

Lucas 10, 25-37

Als in het evangelie verteld wordt dat schriftgeleerden Jezus op de proef stellen, dan wil dat zeggen dat ze voor Hem een valstrik willen spannen, Hem een strikvraag gaan stellen waarbij Hij zich met zijn antwoord weleens zou kunnen compromitteren. Mag je je vrouw verstoten? Mag je aan de keizer belasting betalen?

Niet dat het hun ooit gelukt is. Maar je kunt je wel afvragen wat er voor angeltje onder het gras kan zitten in de vraag van vandaag: wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? De andere versie van deze vraag, bij Matteüs en Marcus, komt op hetzelfde neer, maar is nog directer: wat is het voornaamste gebod?

Hier lokt Jezus zijn gesprekspartner uit zijn tent om zelf het geijkte antwoord te geven waar geen enkele discussie over bestaat. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf. Uw antwoord is juist, zegt Jezus. Uw antwoord is mijn antwoord. Wij zijn het dus eens. Het komt er voor u enkel op aan deze theorie, deze geloofsbelijdenis om te zetten in de praktijk, wilt ge zoals ge het gezegd hebt, het eeuwige leven verwerven.

Niets aan de hand dus: geen strikvraag, geen verborgen valkuil, tenzij het strikje zou zitten om de tweede vraag heen, gesteld om de eerste te verantwoorden, te preciseren. Wie is mijn naaste?

Dat lijkt op het eerste gezicht wél een lokaas te zijn. Het antwoord hierop zou Hem weleens kunnen compromitteren. Want als Jezus zegt ‘die of die en die is je naaste’, dan zegt Hij meteen ‘die is het niet’. En dan zijn we zover. Het is trouwens iets dat wij ons ook afvragen; en terecht, vinden wij, want waar ligt de grens? Hoever moet je gaan? Wie heeft voorrang?

Maar Jezus beantwoordt de vraag niet: noch die van de schriftgeleerden, noch die van ons. Hij vertelt liever een parabeltje. Waarom, dat proberen wij dadelijk nog te achterhalen. Nochtans is een rechtstreeks antwoord op de tweede vraag in feite even gemakkelijk en compromisloos als op de eerste.

Als wij er de oeroude teksten van de tien geboden op naslaan, dan wordt duidelijk dat de eerste drie het ‘bovenal bemin één God’ omschrijven, waar de laatste zeven het ‘en uw naaste als uzelf’ expliciteren. Eerst wordt hierbij het woordje naaste niet gebruikt. Eer uw vader en uw moeder. Gij zult niet doden. Gij zult geen echtbreuk plegen. Gij zult niet stelen. Maar daarna wel. Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen. Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste. Gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets dat hem toebehoort.

Wie is je naaste? Toch niet alleen maar die mensen die je heel nabij zijn: je gezin, je familie, je vrienden, je buren; en de anderen niet! Alsof bedoeld zou worden dat je die anderen die niet tot je kring behoren, wél mag belazeren en belasteren; wél mag begeren en tot eigendom of bezit maken of willen maken. Dat is zeker niet het geval. Dus moet je hieruit logischerwijze besluiten dat iedereen je naaste is. Je naaste is iedereen met wie je in aanraking komt van ver of nabij, vroeg of laat. Iedereen, elk-ander die je weg kruist, die je wat te geven of te vragen heeft, aan wie je wat te geven of te vragen hebt. Jezus’ verduidelijking in de afscheidsrede bij Johannes is dan ook pertinent: bemin elkander, zoals Ik u heb liefgehad.

Bemin elkander, want elk-ander is een beeld van God en elk-ander is een beeld van jezelf. Bemin elkander, eerbiedig elkander, waardeer elkander, zoals je jezelf waardeert en eerbiedigt, zoals je jezelf bemint.

Op één rijtje geplaatst en in die volgorde: Godsliefde, naastenliefde, eigenliefde, het derde helemaal ingekleurd door de eerste twee. Jezelf beminnen is helemaal niet fout. Het is je – van nature, door de Schepper zelf – in het hart gelegd. Je moet jezelf graag zien. Je moet van je leven houden dat je geschonken is. Maar je moet dit tevens uitbouwen als een vertrekbasis en een aankomstplaats van enerzijds de lofzang en de dankzegging en anderzijds de dienstbaarheid en het erbarmen. Eigenliefde, dat wil zeggen: zelfrespect dat niet anders kan dan je leiden naar de liefde Gods en naar naastenliefde.

Waarom heeft Jezus dan dit antwoord niet gegeven, als het Hem toch niet kon compromitteren, aangezien het letterlijk uit de Schrift komt? Wellicht omdat Hij ervan uitging dat zijn gesprekspartner ook dit antwoord even goed kende als Hijzelf. In theorie althans.

Met zijn parabelverhaal echter heeft de Heer op het oog om aan dit antwoord ‘elk-ander is je naaste’ in de praktijk een extra dimensie toe te voegen.

Ten eerste is er uit de parabel iets te leren van de verschillende personages die in het verhaal optreden. De priester en de leviet, die van de officieel juiste zijde, zitten blijkbaar verkeerd; de Samaritaan, die van de officieel verkeerde zijde, zit juist. Zo verstaan wij in elk geval de parabel op het eerste gezicht. En dat doen wij ook graag: wij weten wel aan welke kant wij ons bevinden, of tenminste, menen het te weten.

De traditie heeft vaak de beide eersten voorgesteld als de vertegenwoordigers van het Oude Testament, waar dus geen heil van te verwachten is, in tegenstelling tot de Samaritaan, die het nieuwe verbond vertegenwoordigt. Dat is misschien goed gevonden, maar toch wat vergezocht en allicht niet als dusdanig door Jezus bedoeld, al rijst achter de figuur van de man uit Samaria heel duidelijk de figuur op van de Heer zelf.

Jezus echter wil de priester en de leviet niet zomaar even zwartmaken. Als Hij hen de plaats laat bereiken waar de halfdode reiziger ligt, dan weet Hij als het ware dat zij zullen voorbijgaan: duidelijk de toestand overzien en welbewust voorbijgaan. Jezus maakt er daarom een lange boog omheen van: geen enkel contact, niet te dichtbij komen!

Het was de geestelijken immers vanwege de heiligheid van hun ambt bij wet verboden een dood lichaam aan te raken, wilden ze niet onrein worden. En dus… Deze laatste wetsbepaling, hoe ritualistisch ook, hief om zo te zeggen de eerste op, ook in het geval van twijfel over het al dan niet dood zijn, zoals in het verhaal. Zij moesten er dus wel voor zorgen dat die man hen niet te na kwam, dat hij hun naaste niet werd of zij niet de zijne.

De Samaritaan hoeft zich daar niets van aan te trekken. Hij is, gelukkig maar, geen heilige: voor hem geldt deze wet niet. Hij zou er zich trouwens ook niet aan gehouden hebben, want hij weet met zekerheid in zijn hart: nood breekt wet! Als dat spreekwoord ooit en ergens reëel en actueel is, dan wel hier.

Dit is de eerste meerwaarde van Jezus’ parabel. Elk-ander is je naaste. Daaraan wordt toegevoegd: zeker als het gaat over een ander in nood, een ander die je hulp nodig heeft, wiens geluk van je afhangt. Die is meer dan wie ook beeld van God en beeld van jezelf.

De tweede les van de parabel steekt nog een tandje bij. Gaandeweg en zeker naar het einde toe wordt dat duidelijk. Het evangelie, zo wordt gezegd, zet de zaken op zijn kop. Hier ook is dat zo. ‘Elk-ander is je naaste om van te houden’ wordt op zijn kop gezet tot: ‘Elk-ander is diegene van wie jij de naaste bent, als je hem in je hart sluit, als je hem bemint, als je hem barmhartigheid betoont.’ Het centrum wordt verlegd van bij jezelf naar elk-ander toe. Liefde – Godsliefde, naastenliefde, juist begrepen eigenliefde – is een kwestie van het verleggen van het centrum van jezelf naar de Ander, naar elk-ander.

Voor ons is uiteraard de barmhartige Samaritaan het hoofdpersonage van het parabelverhaal. Voor de barmhartige Samaritaan zelf echter, voor Jezus, is dat de mens in nood, de hulpbehoevende, hij wiens leven en geluk in je handen liggen.

Daarvan hebben wij, priesters en levieten, te leren dat nood wet breekt. Daarvan hebben wij, schriftgeleerden van alle tijden, te leren dat wij de naasten zijn, de naasten kunnen, mogen en moeten zijn van wie aan ons en onze zorgen zijn toevertrouwd en daarom het centrum uitmaken van ons bestaan.