Overweging bij de lezingen van zondag 17-11-2019, 33e zondag door het jaar C

Overweging bij de lezingen van zondag 17-11-2019, 33e zondag door het jaar C

Lucas 21, 5-18

Aan het einde van het kerkelijk jaar wordt het evangelie steeds gekozen uit de laatste hoofdstukken van Matteüs, Marcus of Lucas, de hoofdstukken namelijk die onmiddellijk voorafgaan aan het lijdensverhaal. Oog in oog met zijn nabije levenseinde neemt Jezus afscheid van zijn vrienden en spiegelt hun in apocalyptische stijl het einde van de tijden voor.

Aan het begin van het nieuwe kerkelijk jaar, op de eerste zondag van de advent, kiest de kerk haar evangelie uit diezelfde afscheidswoorden van de Heer bij de synoptici. Zo wordt de kring gesloten, de liturgische jaarkring. God staat aan het begin en Hij komt aan het einde, zo zingen wij.

Maar de toon klinkt in beide gevallen wel verschillend. Bij het begin van de advent lijkt het geschetste toekomstbeeld positiever en hoopgevender; Gods over alles triomferende Majesteit staat dan immers centraal.

Op deze zondag is de klank veeleer onheilspellend, want de menselijke neergang en mislukking staan centraal. En de Lucastekst van vandaag klinkt bijzonder dreigend, al wordt deze dreigende ondertoon duidelijk overstemd door een rustige boventoon van gelovige zekerheid: geen paniek ondanks de chaos, luidt de boodschap, de terecht zó genoemde ‘Blijde’ Boodschap. Getuigenis en standvastigheid, daar komt het opaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.

Het is opvallend hoe de evangelist Lucas aan het einde van de eerste eeuw zo’n nuchtere en realistische analyse maakt van mens en mensheid, een die nog steeds geldig is voor ons, christenen, aan het begin van deze eenentwintigste eeuw.

De tempel, de prachtige tempel van Jeruzalem staat als het tijdloze symbool van alle menselijk kunnen en alle menselijke macht. Wij denken dan aan de wolkenkrabber- en computermensheid van onze dagen.

Loop er niet in, zegt Jezus. Geen steen zal op de andere blijven. Naar Babel én Hiroshima gaan onze gedachten dan uit, maar ook naar het tot voor kort onkwetsbaar gewaande New York, waar een blijkbaar niet te stuiten terrorisme genadeloos toesloeg (op 11 september 2001).

De valse profeten van toen staan symbool voor de menselijke overmoed en zelfoverschatting van alle tijden, ook van onze tijd.

Loop er niet in, zegt Jezus. Loop hen niet achterna: de roepers en vleiers, de consumptie- en reclamemensen van vandaag. Aan massabeïnvloeding door de massamedia denken wij dan; aan oogverblinding en oorverdoving van wat zich dan nog aandient als de cultuur van de vrijheid.

Ook de oorlogen, de hongersnood, de aardbevingen, in dit stukje evangelie vernoemd, maken het tot volle actualiteit en realiteit: chaos op wereldschaal die op den duur alle leven dreigt te vernietigen.

Maar ook daar mag je niet in lopen, zegt Jezus. Trap niet in de val van het droom-denken van de menselijke almacht, maar evenmin in de val van het doem-denken van de menselijke onmacht en machteloosheid.

Want voorbij aan de verste grenzen van de kosmos die het menselijk vernuft meent te hebben bereikt -qua kunde én qua onkunde – is er de God van leven en liefde, onze troost en onze hoop.

En daarnaast, naast die geweldige grenzeloze en toch zo bedreigende macrokosmos is er ook nog je eigen kleine wereld, je eigen bestaan – ook dat is eeuwige, hedendaagse, alledaagse, evangelische realiteit. Precies het goede en het beste in de mens staan bloot aan de dreiging van foltering en vervolging, van miskenning en vernietiging, nog wel door wie of wat het meest nabij is of lijkt te zijn.

En nog maar eens herhaalt Jezus: loop er niet in. In het diepste van je hart, voorbij aan de bodem van je eindigheid en nietigheid, met enkel nog de hoop als bondgenoot vind je diezelfde God en Vader van leven en liefde.

De valse profeten van de macro- en microkosmische almacht kennen enkel zichzelf als de afgod waarop zij steunen. De doemdenkers van de macro- en microkosmische menselijke ondergang anderzijds belijden aan de buiten- en binnenkant enkel goddeloosheid: zelfs in zichzelf geloven ze niet.

Daartegenover staat de Heer Jezus die oog in oog met zijn eigen levenseinde zijn onaantastbare geloof belijdt in de levende God.

Oog in oog met zijn levenseinde, in consequente trouw aan zijn levensroeping, ook Hij geconfronteerd met de uitdaging van de bekoring (‘Maak van deze stenen brood’) en evenzeer met de benauwdheid van de totale mislukking, belijdt Jezus zijn overgave in hoop en vertrouwen aan zijn Vader. En ons, zijn leerlingen, roept Hij op tot dezelfde belijdenis, tot dezelfde hoop: wie standvastig is, zal zijn leven winnen.

Straks, bij het begin van de nieuwe advent is, zoals hij ieder nieuw begin, hoop op wat de toekomst brengen zal, een menselijke vanzelfsprekendheid. Oog in oog echter met het einde van iets is hopen veel minder vanzelfsprekend, maar meteen kan het ook veel echter en zuiverder zijn. De laatste zondagen van het kerkelijk jaar zijn zondagen van de christelijke hoop.

Hoop is niet synoniem van natuurlijk optimisme. Het zal wel gaan, zeggen de mensen, het kan niet stuk, wij kunnen het wel aan. Dat is een prijzenswaardige en niet te versmaden karaktertrek die mensen kunnen vertonen: je mag blij zijn als je van nature een zonnig temperament hebt. Maar daarom is het nog geen verdienste of deugd, geen christelijke hoop. Vlak voor je levenseinde bijvoorbeeld is er niets meer dat nog wel zal gaan of dat wij nog wel aankunnen, tenzij die ongerepte, standvastige, naakte hoop van het evangelie.

God staat aan het begin en Hij komt aan het einde. Hoop staat aan het begin en hoop komt aan het einde. De laatste zondagen van het liturgisch jaar zijn, zoals de laatste levensdagen van een mensenleven, bij uitstek dagen van de christelijke hoop.

In de tweede brief aan de christenen van Tessalonica, waaruit tijdens deze laatste zondagen het epistel gekozen is, komt het thema van de hoop rijkelijk aan bod.

Vorige week lazen wij:
‘Moge God onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond en die ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds, in woord en daad.’

Daarop aansluitend, vandaag, schrijft Paulus ons het recept voor van de christelijke hoop. Het is helemaal niets speciaals of bijzonders; het is de gewone taak, het gewone werk van elke dag.

Niet, zegt Paulus, zoals er daar in ons midden zijn die zich overal mee bemoeien en zich intussen geen enkele moeite getroosten om ook maar iets te doen.

Maar wel, zegt Paulus: de plicht, het werk, de opdracht, de taak van elke eendere dag. Daarop steunt alle toekomst, alle verwachting, alle hoop: daadkrachtiger dan alle doemdenken, vruchtbaarder dan alle valse dromen en onheilsprofetieën, sterker dan het einde van de tijden. Net zo sterk als de liefde, dat is: sterker dan de dood.