Overweging bij de lezingen van zondag 15-09-2019, 24e zondag door het jaar C

Overweging bij de lezingen van zondag 15-09-2019, 24e zondag door het jaar C

Lucas 15,1-32

Wat een lang evangelie hebben wij net beluisterd! Het gebeurt inderdaad niet vaak dat een liturgische evangelielezing een volledig hoofdstuk beslaat uit een van de vier evangelies. Vandaag is dat het geval met het vijftiende hoofdstuk uit Lucas, 32 verzen lang.

De Willibrordvertaling plaatst er als opschrift boven: ‘Redden wat verloren ging.’ Boven vers 11 staat als ondertitel: ‘De verloren zoon.’ Aan deze laatste overbekende parabel, die op zichzelf staand ook nog gelezen wordt op de vierde zondag van de veertigdagentijd, gaan er vandaag nog twee korte gelijkenissen vooraf.

Nu wij net toch met titeltjes bezig zijn, kunnen we dat meteen wat meer gedetailleerd doen. Vers 3 tot 7 krijgt als opschrift: ‘De parabel van het verloren schaap.’ Vers 8 tot 10: ‘Het verloren geldstuk.’ En vers 11 ot 32 inderdaad: ‘De verloren zoon.’ Maar binnen deze derde, grote parabel is een verdere onderverdeling mogelijk. In vers 11 tot 19 blijft het: ‘De verloren zoon’; in vers 20 tot 24 wordt het: ‘De barmhartige Vader’; en in vers 25 tot 32 ten slotte heet het: ‘De nukkige broer.’

Wij laten in het midden welke van deze drie laatste titels het best past bij het geheel. Feit is dat het laatste deel, dat van ‘De nukkige broer’, goed aanknoopt bij de inleiding van het hele hoofdstuk, de verzen 1 en 2, zijn de de ‘aanleiding’ voor Jezus voor het vertellen van deze drie parabels over ‘Het terugvinden van wat verloren ging’.

Deze aanleiding is het feit dat de weldenkende society van Jezus’ tijd, door de evangelisten wat simplificerend de farizeeën genoemd… dat deze farizeeën dus het Hem kwalijk nemen (en dat zal een beslissend breekpunt worden in Jezus’ leven) dat Hij zich inlaat met ‘tollenaars en zondaars’, met gewone en zelfs verlopen lieden van allerlei slag, in plaats van exclusief met hen, de mensen van stand: moreel, intellectueel, sociaal, cultureel, religieus gezien, en noem maar op.

Via de techniek van parabels en gelijkenissen reageert de Heer op dit verwijt en verdedigt Hij zijn optreden en zijn houding, zonder dat evenwel zijn belagers zich rechtstreeks geviseerd of beledigd kunnen voelen.

Je doet toch ook wat je kunt om iets dat je verloren hebt terug te vinden? Je bent toch ook gewoonweg blij als dat het geval is? Net zoals de herder die zijn verloren schaap terugvindt. Net zoals de huismoeder die ‘eureka’ roept als ze haar zoekgeraakte ‘euro’ terugvindt. Net zoals de vader die zijn verloren, zijn verlopen zoon terugvindt, terug ‘krijgt’.

Jezus’ motief is zijn zorg en bekommernis voor de kleineren en zwakkeren in de samenleving, inclusief de tollenaars en zondaars. Tegelijk wijst Hij onrechtstreeks zijn interpellanten terecht. Onze farizeeën van verzen 1 en 2 zijn heus wel verstandig genoeg om door te hebben dat zij bedoeld worden in de laatste episode, die van de oudste broer, en dat Jezus hun hooghartige houding van zelfverzekerdheid en onkreukbaarheid in vraag stelt.

De beide eerste korte verhalen eindigen met hetzelfde ‘keer’vers: ‘Zo is er vreugde in de hemel over een zondaar die zich bekeert.’ Dat slaat natuurlijk evengoed op de parabel van de verloren zoon. Maar daar staat dat niet met evenveel woorden, terwijl je het daar nochtans volop zou kunnen verwachten.

In het grote verhaal echter van de vader en zijn twee zonen eindigen de tweede en de derde episode eveneens met een ‘keer’vers, namelijk laten wij eten en feestvieren of: er moet feest en vrolijkheid zijn, want die zoon van mij of: die broer van je, was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden.

Duidelijk herkenbaar is dat een om zo te zeggen poëtisch alternatief van het eerste keervers: de weerklank in de mond van de vader uit de parabel van Jezus’ eigen conclusie bij elk van zijn gelijkenissen. Er is vreugde in de hemel, er moet feest en vrolijkheid zijn over iedere zondaar die zich bekeert: een dode die weer levend is geworden.

Maar er is toch wel enig probleem met dat ‘zich bekeren’ van die ‘zondaars’.

Je kunt toch niet zeggen dat een schaap zich bekeert? Het verdwaalt, het loopt verloren, het wordt teruggevonden, teruggedragen. En zelf doet het niet meer dan mekkeren. Dat geldt vanzelfsprekend nog meer voor een geldstuk. Maar zelfs bij de verloren zoon hebben wij het moeilijk om van bekering te spreken. Honger had hij, ja, en dat bracht hem vanzelf en noodgedwongen op het idee om het vaderhuis weer op te zoeken. En dan moet je wel wat excuses bij mekaar vinden. Maar is dat tot inkeer komen, zich bekeren?

En anderzijds: kun je van een verloren schaap zeggen dat het een zondaar is? In heel overdrachtelijke zin misschien nog wel, al worden in de Bijbel even vaak de herders met de vinger gewezen als zijnde verantwoordelijk. Maar dat verloren muntstuk heeft toch duidelijk niets met zonde te maken. Daarentegen is dat duidelijk weer wel het geval wat de jongste zoon van ons huishouden betreft.

Wat er ook van zij, wij kunnen er niet omheen dat die ene refreinzin er zogoed als driemaal staat: dat er vreugde is in de hemel over een zondaar die zich bekeert.

Daar is als een eerste vaststelling aan te verbinden dat zich bekeren niet enkel of zelfs niet in hoofdzaak te maken heeft met het eigen initiatief, laat staan met de eigen verdienste van de kant van het verloren schaap, van de verloren zoon; maar alles met de barmhartigheid van de herder, van de vader, Onze Vader die in de hemel is.

God is gewoonweg blij, zegt Jezus, voor God is het een feest dat Hij genadig en barmhartig kan zijn. En dat is het wat Ik te vertellen heb aan de mensen die Ik opzoek, tollenaars en zondaars. God bedankt en feliciteert als het ware de zondaar, die Hem die kans geeft door zij het maar de kleinste stap te zetten naar zijn liefde toe.

Is de verloren zoon dan voor ons een voorbeeld? Op het eerste gezicht zijn wij geneigd om te zeggen van niet. Uiteraard niet in wat er allemaal over hem verteld is. Maar zelfs daarna handelt hij toch enkel uit eigenbelang, uit nood, omdat hij met zijn rug tegen de muur staat en geen uitweg meer ziet. En die tranen lijken toch ook goeddeels gemáákt en al die excuses een beetje goedkoop.

Nader bekeken echter is het zijn verdienste dat hij zich geen enkele verdienste toemeet, maar dat hij, aanbeland op het diepste nulpunt, opstaat en deze ene schroomvolle en aarzelende eerste stap zet naar de liefde toe.

Wat is dan van de andere kant precies de fout van de oudste? Die is toch wél een voorbeeld van plichtsbewustzijn en trouw te noemen, of niet? Dat veeg je toch niet zomaar weg. Wordt het hem euvel geduid dat hij bij zijn vader aanspraak maakt op zijn recht, op zijn welverdiende loon en beloning? Maar is het dan niet normaal dat iemand die zijn plicht doet, verwacht dat hij daarvoor beloond wordt? Is het niet normaal dat iemand die doet wat hij doen moet, verwacht dat anderen die dat niet doen, misdadigers of nietsnutten, gestraft worden?

Waar hij fout zit, is dat hij God als het ware het recht ontzegt op barmhartigheid en vergevingsgezindheid, op genadigheid en goedheid. Niet enkel de farizeeën van Jezus’ tijd, maar de farizeeën in de breedste zin van het woord van alle tijden: zij willen God vaak ondergeschikt maken aan hún wet en wetenschap, willen enkel een God erkennen die zich schikt naar hun denken en doen, aangezien dat toch goed en juist en rechtvaardig is.

Uiteraard kunnen zij God niet deren of raken. Maar zij kwetsen Hem in zijn kinderen die zij oordelen en veroordelen naar enkel maar hun eigen normen en maatstaven.

De grote fout van de oudste zoon is dat hij zich niet kan schikken naar Gods norm, die de norm bij uitstek lijkt te zijn, namelijk dat niets zó belangrijk is als datgene wat verloren is. Of, zoals Sint-Jan het andersom uitdrukt: niets gaat verloren van wat in liefde geboren is.