Overweging bij de lezingen van zondag 19-05-2019, Vijfde zondag van Pasen

Overweging bij de lezingen van zondag 19-05-2019, Vijfde zondag van Pasen

Joh. 13,31 – 33a.34-35

Op de vijfde, zesde en zevende paaszondag, dat zijn de zondagen voor en na Hemelvaart, komt het evangelie telkens uit de zogeheten afscheidsrede, namelijk de hoofdstukken 14 tot en met 17 van het Johannesevangelie. Het begin daarvan dat nog bij hoofdstuk 13 hoort, is het korte evangelie van vandaag.

De afscheidsrede is uiteraard te situeren op de avond van het afscheid, de avond van Witte Donderdag, daags voor Jezus’ lijden. Maar ook als je dat niet weet, blijkt uit de voorliggende tekst als dusdanig dat het over een afscheid gaat: ‘Nog maar kort zal Ik bij u zijn.’

Uit de tekst is echter niet op te maken dat het de inleiding is van een lange redevoering. Het klinkt als een afgerond geheel op zich: een afscheidswoord, kort en kernachtig, met uiteraard het allerbelangrijkste dat ten afscheid nog te zeggen valt. Des te meer valt op dat Jezus’ afscheidsgroet begint met een uitroep van vreugde. Wie begint er nu zijn afscheidstoespraak met een uitroep van vreugde? ‘Nu is de Mensenzoon verheerlijkt, en God is verheerlijkt in Hem.’

Net daarvoor, aansluitend op de voetwassing, heeft Jezus Judas ontmaskerd als zijn verrader en hem zogoed als weggestuurd, aan de deur gezet om te gaan doen wat hij niet laten kan. Op die manier heeft de Heer als het ware zelf bepaald dat zijn uur nu ten volle en definitief gekomen is. Dat woordje nu waarmee Hij zijn toespraak aanvangt, is van groot belang. Nu is de Mensenzoon verheerlijkt. Dit nu is niet zozeer tijdsgebonden, aan het eigenste moment gebonden en dan alweer even vlug voorbij en tot het verleden behorend. Het is tijd overstijgend. Het vat de toekomst samen in één blijvende en voortdurende realiteit. Het slaat tegelijk op kruis én verrijzenis, die als onlosmakelijke twee-eenheid zo typisch en belangrijk zijn voor de evangelist Johannes, de bevoorrechte getuige. Als dusdanig is het tegelijk getekend door lijden én door vreugde, hoe tegengesteld aan elkaar deze beide ook zijn. Mensen die lijden, zijn daar niet blij mee, maar het kunnen wel blije mensen zijn…

Na het woordje nu trekt dat andere woord, verheerlijkt, onze aandacht. Dat de Mensenzoon verheerlijkt is, wil zeggen dat Hij – in dat tijdloze nu – te zien is in zijn volle glorie. Dat zeggen wij toch van mensen die een topprestatie leveren, die zich van hun beste zijde laten zien: dat zij op dat ogenblik te zien zijn in hun volle glorie. De Heer Jezus is in zijn volle glorie te zien op dat voortdurende, blijvende moment van zijn totale overgave en trouw, in zijn algehele godsverbondenheid; gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood op het kruis. En daarom heeft God Hem zeer verhoogd, heeft Hij Hem doen opstaan ten leven. De Gekruisigde, de Verrezene: de Mensenzoon verheerlijkt, en God in Hem.

Jezus onze Heer die zich laat zien zoals Hij is, van zijn beste kant, in zijn volle glorie. Net zoals Hij in volle glorie te zien was op datzelfde moment nu, toen Hij de voeten waste van zijn leerlingen ten teken van zijn totale dienstbaarheid, zijn gegevenheid aan de mensen.

Het kan moeilijk zo zijn dat de leerlingen tot wie de Meester deze woorden ten afscheid richtte, ze ook in hun volle draagwijdte begrepen hebben. Die uitroep van vreugde: dat moet hen erg bevreemd hebben. Die ‘verheerlijking’, dat verstonden ze niet, net zomin als ze van de voetwassing iets verstonden. Jezus had tot de protesterende Petrus gezegd: Wat Ik doe, begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.’

Ook nu is dat zo. Ook nu begrijpen zij het niet. En ook voor de apostelen geldt dat nu niet enkel tijdsgebonden, maar evenzeer tijd overstijgend is naar de toekomst toe. ‘Nog maar kort zal Ik bij u zijn.’ Zij zullen Hem missen en niet begrijpen wat hun is overkomen.

Meteen echter doet de Meester hun het middel aan de hand om dit gemis te kunnen dragen, het middel waardoor hun gemis voluit zal worden gecompenseerd, want zij zullen Hem ervaren als de Verheerlijkte, de Levende in hun midden aanwezig; zij zullen Hem in zijn volle glorie zien.

Wat daarvoor nodig is? Wat Jezus hun daartoe aan de hand doet als probaat middel? ‘Een nieuw gebod geef Ik u: ge moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad.’ Een nieuw gebod, toe te voegen aan de reeds bestaande? Aan de talloze voorschriften van de Wet? Aan de tien woorden van de Sinaï? Neen, dit is geen elfde gebod, maar een dat uniek is, dat alle andere geboden samenvat, inkleurt, overstijgt, als het ware vervangt.

Dat laatste is een gevaarlijke uitspraak. Het kan toch niet zo zijn dat Jezus wat Hijzelf het eerste en voornaamste gebod noemt: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand’, afschaft en het tweede daarmee gelijkwaardig: ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’, tot absoluut eerste en enige gebod verheft? Uiteraard is dat niet het geval.

Het volle accent ligt nu op het woordje nieuw en dat moeten wij goed verstaan. Wat betekent dat nieuw gebod? Wat is er nieuw aan dat nieuw gebod? Het nieuwe, zeg maar het totaal en revolutionair nieuwe, zijn de intensiteit en de intentionaliteit, de kwaliteit en de totaliteit waarmee het gebod van de broederliefde, het mandatum van de caritas, ‘bemin uw naaste als uzelf’, dient te worden nageleefd. Dit is geen ethische leefregel tussen vele andere, maar een alomvattend levensprincipe. Bemin uw naaste, heb elkaar lief ‘zoals Ik u heb liefgehad’. Dat is het criterium: ‘zoals Ik u heb liefgehad’, trouw tot het uiterste, totaal gegeven en mateloos dienstbaar.

Je moet zodanig met elkaar omgaan dat de mensen eraan herkennen dat Ik verheerlijkt ben, zegt de Heer, dat de mensen daarin Mij in volle glorie bezig zien.

Als men aan christenen vraagt: ‘Is Christus verrezen?’, zou het antwoord moeten kunnen zijn: dat zie je toch aan onze manier van leven voor en met elkaar.

Als men aan christenen vraagt: ‘Bestaat God?’, zou het antwoord moeten kunnen zijn: ja zeker, God bestaat; dat zie je toch aan ons doen en laten.

‘Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt, als gij de liefde onder elkaar bewaart.’