Over de zaligsprekingen …

Over de zaligsprekingen …

Uit een homilie van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394), over de zaligsprekingen

God kan in het hart van de mens gevonden worden.

Lichamelijke gezondheid is in het menselijk leven een goed. Niet alleen weten wat gezondheid is, maar ook gezond zijn, geeft een gevoel van gelukzaligheid. Indien iemand immers in allerlei toonaarden de lof bezingt van de gezondheid en toch voedsel tot zich neemt dat kwade lichaamssappen veroorzaakt en hem ziek maakt, wat voor nut heeft hij dan van die lof op de gezondheid, terwijl hij door ziekte gekweld wordt? Zo moeten wij ook de zaligspreking verstaan die het onderwerp van deze homilie is: de Heer zegt dat het geluk niet erin bestaat iets over God te weten, maar God in zich te hebben. ‘Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’ (Mt. 5, 8).

Immers, het lijkt mij niet juist het zo voor te stellen alsof hij die het oog van zijn ziel gezuiverd heeft, God van aanschijn tot aanschijn ziet. Maar misschien leert ons de verhevenheid van deze woorden wat tegen anderen duidelijker gezegd is: het koninkrijk Gods is in u (vgl. Lc. 17, 21). Hierdoor kunnen wij leren dat hij die zijn hart gezuiverd heeft van al het aardse en van elke verkeerde hartstocht, in zijn eigen schoonheid het beeld van de goddelijke natuur ziet.

Het woord van God lijkt mij in de hierboven aangehaalde tekst de volgende raad te geven: mensen, gij die verlangt het ware goede te aanschouwen, gij hebt gehoord dat Gods majesteit boven de hemelen verheven is, haar heerlijkheid alle begrip te boven gaat en niet onder woorden te brengen is en dat haar natuur ongrijpbaar is. Vervalt echter niet tot wanhoop, omdat gij toch niet kunt zien wat gij wenst te zien.

“Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.” Matteüs 5

Als gij nu door een onberispelijk en zorgzaam leven het vuil dat zich in uw hart vastzet, afwast, zal voor u de goddelijke schoonheid oplichten. Dat gebeurt nu ook bij het ijzer: wanneer het door de slijpsteen van roest gezuiverd is, glanst en blinkt het in de zon, terwijl het tevoren nog zwart was. Zo gaat het ook met de innerlijke mens, door de Heer ‘hart’ genoemd. Wanneer hij het roestige vuil dat zich door de aanslag van de zonde op de buitenkant gevormd heeft, ervan afgeschuurd heeft, dan zal hij de gelijkenis met zijn oorspronkelijke gedaante terugkrijgen en zal hij weer goed zijn. Immers, wat gelijk is aan het goede, is in elk geval goed.

Daarom ziet hij die zichzelf ziet, in zichzelf wat hij verlangt te zien. Zo wordt hij die zuiver van hart is, gelukkig, omdat hij – door naar zijn eigen zuiverheid te kijken – zijn eigen oerbeeld aanschouwt. Immers, zoals zij die de zon in een spiegel zien, ook al kijken zij niet gespannen naar de hemel zelf, de zon geenszins minder zien in de glans van de spiegel dan zij die naar de zonneschijf zelf kijken, zo is dat ook met u het geval, zegt de Heer: ook al ontbreken u de krachten om het licht te aanschouwen, dan vindt u toch in uzelf wat u zoekt, als u terugkeert naar de schoonheid van het u oorspronkelijk meegegeven beeld.

Goddelijkheid is immers zuiverheid, vrij zijn van alle kwaad en de vrede van het hart. Als dit alles nu in u is, is God zonder twijfel in u. Wanneer dus uw hart zuiver is, rein van iedere ondeugd, vrij van iedere verkeerde hartstocht en zich verre verwijderd houdt van iedere bezoedeling, bent u gelukkig door uw scherpe, heldere blik, want u aanschouwt, gereinigd als u bent, wat voor niet-gereinigden onzichtbaar is. U hebt immers de aardse duisternis weggenomen van het oog van de ziel en in deze vrede van uw hart ziet u duidelijk het hemels geluk. En wat is dit hemels geluk? Zuiverheid, heiligheid, eenvoud en iedere afstraling van de goddelijke natuur waarin God zichtbaar is.