Dinsdag 9 juli – feest van de HH. Martelaren van Gorcum

Dinsdag 9 juli – feest van de HH. Martelaren van Gorcum

Op 9 juli 1572 werden bij Brielle negentien priesters en kloosterlingen, voor het merendeel inwoners van Gorcum (Gorinchem), gedood vanwege hun getuigenis omtrent de werkelijke tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus in de eucharistie en omtrent het gezag van de paus als zichtbaar hoofd van de kerk.

Het waren: pastoor Lenaert (Leonardus) Veghel, zijn kapelaan Claes (Nicolaas) Poppel, de priester Govaerd van Duynen, alsmede de gardiaan van de franciscanen Claes (Nicolaas) Pieck met tien medebroeders: de paters Jeroen (Hieronymus) van Weert, Dirk (Theodorus) van der Eem (of van Emden), Nicasius van Heeze, Willehad de Deen, Govaerd van Melver, Antoon van Weert, Antoon van Hoornaar, Frans Roy en de broeders Pieter van Assche en Cornelis van Wijck, en de augustijner kanunnik Jan van Oisterwijk. Na hun arrestatie werden aan hun gezelschap toegevoegd: de dominicaan Jan van Keulen, pastoor te Hoornaar, de norbertijnen Adriaan van Hilvarenbeek en Jaak Lacops die respectievelijk pastoor en kapelaan waren te Monster, en pastoor Andries Wouters van Heinenoord.

Ten prooi aan bespotting en mishandeling hielden zij moedig stand. Ten slotte werden zij door ophanging om het leven gebracht. Om hun geloof met ere in de geschiedenis van de kerk van Nederland vermeld, werden zij in 1867 door paus Pius IX heilig verklaard. Gedeelten van hun relieken worden in Brielle en Gorinchem bewaard.

Uit de geschiedenis van de Martelaren van Gorcum door Willem van Est († 1613)

Strijdt tot het einde toe voor het katholieke geloof.

Nadat de gevangenen uit de stad (Brielle) waren geleid, werd er een geschikte plaats voor de terechtstelling gezocht. Eindelijk kwam men bij het klooster ten Rugge, dat de naam van de heilige Elisabet droeg, waar reguliere kanunniken van de orde van de heilige Augustinus lange tijd gewoond hadden, doch dat door de onlangs uitgebarsten furie van de Geuzen onteerd en verwoest was. In dat klooster was een ruimte overgebleven die dienst deed als schuur om turf in op te bergen, waarvan men in die streken veel gebruik maakte. Daarin waren twee balken, de ene dwars en langwerpig, de andere korter. Het krijgsvolk vond dat deze uitermate geschikt waren om er al de gevangenen aan op te hangen. Zij werden dan naar deze plaats gebracht, en omdat zij reeds in afwachting waren de dood voor het katholieke geloof te ondergaan, bevalen zij God, beurtelings biddend, hun laatste strijd aan. Daar wekten zij – naargelang ieder, op grond van Gods gave, vertrouwde iets te vermogen door geloofskennis en spreekvaardigheid – elkander op om standvastig de straf en de dood te ondergaan, in de verwachting zonder uitstel het hemelse rijk en het eeuwige loon te verkrijgen.

Terstond werden zij allen van hun kleren beroofd. De eerwaarde pater gardiaan (Claes Pieck) werd als eerste genomen om terechtgesteld te worden. Hij omhelsde en kuste al zijn broeders één voor één. Hij vermaande en smeekte hen met deze laatste woorden: ‘Strijdt kloekmoedig en standvastig tot het einde toe voor het katholieke geloof! Volhardt tot de dood, één van geloof en van geest, in de broederlijke liefde welke gij in uw leven hebt betracht. Laat het laatste uur geen scheiding brengen onder u die door wederzijdse liefde tot nog toe in een heilig gezelschap zijt verenigd. Gij zijt reeds op het punt uit de hand des Heren de vurig gewenste en lang verwachte prijs voor uw strijd, de kroon van het eeuwig geluk, te ontvangen. Deze kroon ligt al gereed, zij hangt al boven uw hoofd. Verliest haar niet door lafhartigheid, maar grijpt er moedig naar door de dood te verachten. Gij ziet dat ik u blijmoedig voorga; volgt mij op dezelfde wijze!’ Terwijl hij zo sprak, klom hij blij en vlug de ladder op en hield niet op zijn metgezellen te vermanen, totdat hem door de strop de keel was dichtgesnoerd en de spraak ontnomen was. Terwijl hij daar hing, deden Jeroen, zijn vicaris, en Nicasius van Heeze en eveneens de parochiepriesters Lenaerd Veghel en Claes Poppel moedig hun best om hun metgezellen te vermanen en te versterken en hen voor te bereiden op hun levenseinde. Op vier na, werden allen aan de langwerpige balk opgehangen. Aan de balk hing Govaerd van Duynen tussen de gardiaan en de lekebroeder Cornelis; de premonstratenzer Jaak Lacops was aan een ladder opgehangen. Overigens waren de beulen bij de terechtstelling zeer onachtzaam te werk gegaan, weinig bezorgd de stroppen zo aan te snoeren dat de gehangenen spoedig zouden sterven. Ongeveer twee uur waren zij met het voltrekken van de doodstraf bezig, want zij begonnen omtrent twee uur na middernacht en eindigden om vier uur.

Op deze wijze hebben de heilige mannen zich dapper gekweten van hun plicht om tot de marteldood toe hun geloof te belijden. In de nacht van de achtste op de negende juli hebben zij dit tijdelijke leven door een roemvolle dood met het eeuwige verwisseld en zijn zij in de Heer ontslapen.

(Toen degene op wiens verzoek de lichamen der heilige martelaars ter aarde besteld waren, met het krieken van de dag naar die plaats was teruggekeerd, vond hij ze in twee kuilen geworpen en begraven. De lichamen die aan de langwerpige balk hadden gehangen, lagen daaronder in één kuil geworpen. En tot op de huidige dag, menen wij, rusten op deze plaats de lichamen der heiligen te midden van de vijanden der kerk, totdat God, door de verdiensten en voorspraak van deze martelaren, aan de kerk in de Nederlanden de lang verhoopte vrede schenkt en Hem toegewijde dienaars het verlangen ingeeft en de vrede schenkt om het heilig gebeente op te graven en met gepaste eer te omringen. – Dit nu is geschied sinds hun stoffelijke resten in het jaar 1615 voor het eerst werden overgebracht naar de kerk van de minderbroeders in Brussel.)