Preek op 20-12-2020, 4e zondag van de advent, jaar B, pastoor Frank Domen

Preek op 20-12-2020, 4e zondag van de advent, jaar B, pastoor Frank Domen

Openingswoord

Broeders en zusters, van harte welkom!

Soms houden mensen er tijdrovende hobby’s op na. Dat mag natuurlijk als anderen daar maar niet door tekortkomen.

Sommigen houden er wel heel vreemde hobby’s op na, althans het lijkt wel een hobby, omdat het zo vaak gebeurt: zoeken naar iets wat zij niet kunnen vinden.

Mijn God, wat heb ik in mijn leven veel tijd verspild met zoeken naar zaken, die ik niet goed had opgeborgen of ik was zo gejaagd bezig, dat ik voor een tafel stond, keek en gewoon niet zag, dat het gezochte op de tafel lag. Wij kunnen door onze jachtige manier van leven een zekere blindheid oplopen. Wij kijken wel, maar zien niet, wij begrijpen de gebeurtenissen in het leven niet.

Zo gaan soms niet alleen kostbare uren verloren, maar ook grote rijkdommen, die God ons wil schenken. Wij zijn soms blind voor Gods helpende aanwezigheid in ons leven. Wij zoeken ons een breuk naar een oplossing, terwijl wij God niet zien staan, die heel bescheiden zijn vinger opsteekt om te laten weten hoe Hij dat varkentje kan wassen.

Misschien is dit voor bepaalde mensen wel een voordeel van de coronacrisis: ze kunnen niet anders dan hun blik losmaken van bepaalde aardse zaken, want ze zijn er even niet meer. Zo worden zij van hun blindheid genezen, opdat zij de grootste rijkdommen van deze wereld opnieuw kunnen ontdekken: geen goud en glitter of feestjes hier en daar, maar liefde voor ander, vrede en vreugde.

Openingsgebed

Laat ons bidden. Verborgen God, Gij kent ons, Gij weet hoe blind wij zijn voor uw nabijheid, hoe ver wij nog verwijderd staan van U. Onthul ons uw aanwezigheid, breng ons tot de gehoorzaamheid van het geloof, en roep ons tot de gemeenschap van Jezus Christus, onze Heer. Die met U leeft en heerst … Amen.

Kinderwoorddienst (om 16.00 uur)

Preek

Broeders en zusters, soms krijgt iemand opeens een groots plan: de huiskamer moet hoognodig aangepakt worden. Dat gaan we natuurlijk niet vlak vóór de Kerst doen, maar ooit gebeurt dat wel.

Het plafond moet niet gewit worden, nee, er moet maar eens heel wat anders in: een plafond met een mooi structuurtje. Er moet behangen worden, deuren en ramen en plinten moeten ook maar eens een ander kleurtje krijgen en tenslotte een nieuwe vloer.

Maar ja, dat is gauwer gezegd dan gedaan. De andere helft van je trouwboek heeft twee linker handen. Zelf vind je zo’n plafonnetje ook wel moeilijk en zoveel tijd heb je nu ook weer niet. Je kunt het niet alleen.

Wie gaat je helpen? Wie zou je kunnen vragen? En terwijl je al verf en kwasten en behang koopt, laat je je gedachten eens gaan langs al je familieleden en vrienden. Wat kunnen ze allemaal, hoe zitten ze met hun tijd én … hoe lang is het geleden, dat jij iets voor hen hebt gedaan!?

Je maakt een keuze en met een kloppend hart stap je op iemand af. Onderweg denk je erover na hoe je je vraag het beste zou kunnen formuleren. Hoe zal het antwoord zijn? Soms houdt het je dagen bezig. En als iemand dan bereid blijkt om je een paar dagen te helpen, kun je het wel uitzingen van vreugde. Je dag kan niet meer stuk.

Beste mensen, iets dergelijks gebeurt in het evangelie van vandaag. Het huisje van Maria of de stal hoeft niet behangen te worden, maar er is wel een wereld vol mensen, die – als er niet grondig wordt ingegrepen – voor God reddeloos verloren gaan.

Maar ook God wil niet alleen werken. De Vader werkt nooit zonder de Zoon en de heilige Geest en omgekeerd. En ook dit allerbelangrijkste werk van de redding van de wereld wil God niet doen zonder medewerking van de engelen en de mensen.

God stuurt daarom zijn engel, Gabriël, naar een klein stadje, Nazaret. Daar woont een wel heel bijzonder meisje. Bijzonder, omdat God haar – al vóórdat Hij haar vroeg – innerlijk heeft gevrijwaard van de erfzonde om zo geschikt te zijn voor het goddelijk moederschap.

Nu kunnen wij natuurlijk flauw doen door te zeggen, dat God al op voorhand wist hoe het antwoord van Maria zou uitvallen. Dat is inderdaad zo, maar toch had Maria de vrijheid om “nee” te zeggen. Eva was in het begin – net als Maria – ook onbevlekt, maar zei uiteindelijk toch “nee”.

Maria geloofde heel sterk in God, maar slaafse gehoorzaamheid was er niet bij. Zij stelde vragen aan de engel: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?” En toen de engel haar vertelde over de heilige Geest, die haar zou overschaduwen, gaf zij haar jawoord: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.”

Zou God geen intense vreugde hebben gevoeld om dit antwoord? Jezus zelf zegt, dat er in de hemel vreugde is over één zondaar, die zich bekeert! Zaken als vreugde en verdriet zijn geen menselijke uitvinding, geen product van een evolutie van duizenden jaren, nee, ze zijn van God.

Broeders en zusters, mensen zijn zoals ze zijn, omdat God zo is. Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wij voelen vreugde of verdriet bij bepaalde gelegenheden, omdat God dat van zichzelf in ons heeft gelegd. Ook God kent vreugde en verdriet. Wat zal Hij blij zijn geweest toen Hij in het begin al die engelen zag, het werk van zijn handen. Wat zal Hij een verdriet hebben gehad toen – volgens bepaalde heiligen – ongeveer eenderde van de engelen “nee” zei tegen God en in duivels veranderden.

Nu waar het in deze voorbereidingstijd op de geboorte van het goddelijke Kind om gaat. God stelt ook aan ons een vraag: Mag Ik jouw Vader zijn; wil jij mijn kind, mijn zoon, mijn dochter zijn; wil jij mensen aanvaarden als je broeders en zusters; geloof je dat Ik van al die verschillende mensen, die er soms met z’n allen in slagen om er een geweldige puinhoop van te maken, dat Ik van de goedwillenden onder hen op den duur toch één grote blijde familie kan maken!? Geloof jij dat!? Én … wil jij daar aan meewerken!?

Het stond in de eerste lezing. Koning David en wij hoeven voor God geen huis te bouwen; Hij zal voor óns een huis bouwen, dat voor eeuwig stand zal houden.

Broeders en zusters, we leven eigenlijk nu al met één been in de eeuwigheid, maar als wij God boven alles en iedereen willen liefhebben, als wij héél ons leven en onze dood aan Hem durven toevertrouwen, onze naaste willen liefhebben als onszelf, dan zullen wij dat eeuwige Vaderhuis eens definitief mogen binnengaan.

Wij mogen – en eigenlijk moeten – wel meebouwen aan zijn Huis, dat de Kerk is. De Gemeenschap van de Kerk is een voorafbeelding, het voorportaal van zijn Hemelhuis. Zoals er in de hemel vrede en geluk is voor iedereen, zo moeten wij dat ook proberen te bereiken voor alle mensen op aarde. Deze heilige Eucharistieviering en alle andere gebeden, die wij hier verrichten, maar niet minder onze voedselbank, zijn een prachtige uiting van Gods liefde voor alle mensen.

Maken wij het vandaag en de laatste adventsdagen stil in ons hart, zodat wij Gods roepstem horen en zeggen wij net als Maria van harte “ja” tegen God. In het leven van Maria gebeurden er toen toch nog allerlei erge dingen, maar het liep allemaal goed af. Niemand in de hemel is zo gelukkig als Maria. Durven ook wij “ja” te zeggen. Durven wij het avontuur met God aan.