1 januari: Maria, Moeder van God – Uit de geschriften van de priester Hugo Rahner († 1968)

1 januari: Maria, Moeder van God – Uit de geschriften van de priester Hugo Rahner († 1968)

Uit de geschriften van de priester Hugo Rahner († 1968)

Maria, model en samenvatting van de kerk

Maria, de moeder van Jezus, is – door de onuitsprekelijke waardigheid van maagdelijke moeder van de Godmens – het model en de samenvatting geworden van onze moeder de kerk.

Augustinus zegt: ‘Maria baarde uw hoofd, de kerk baart u. De kerk is immers ook moeder en maagd tegelijk: moeder door haar schoot van liefde, maagd door de ongereptheid van haar geloof. Volkeren baart ze, die ledematen zijn van één hoofd en ook in dat opzicht is de kerk te vergelijken met die ene maagd Maria, die te midden van velen de moeder der eenheid is’ (Preek 25, 8).

Laten we nu proberen, deze grondgedachte verder te ontwikkelen en uit te diepen. Gods liefdevolle heilsplan is vanaf het eerste ogenblik van de heilsgeschiedenis, onverstoorbaar door zonde en ontrouw, enkel en alleen gericht op de menswording van zijn Woord en daarin op de vergoddelijking van het menselijk geslacht, dus op Christus en de kerk. Daarom verwijst alles, wat God in de voorbereidende heilsgeschiedenis zegt en doet en laat gebeuren, ook – ja, in de eerste plaats – naar het komende.

‘Alles is naar Hem toe geschapen’ (vgl. Kol. 1, 16), zegt Paulus van Christus, de Eerstgeborene van de hele schepping. De voorafbeeldende betekenis van alle figuren uit het Oude Testament is dus hun waarde als verwijzing naar Christus en zijn lichaam – en dat zijn wij. Alles wat er in het eertijds uitverkoren volk gebeurde, ‘is een voorafbeelding geworden voor ons, over wie het einde der tijden is aangebroken’ (vgl. 1 Kor. 10, 6.11). Adam, de eerste mens, is zonder meer de ‘voorafbeelding van de komende’, van de Godmens dus. In wezen gaat dus de hele voorafbeeldende zin van het Oude Testament uit naar Christus, maar niet alleen maar naar Hem toe, voor zover Hij de godmenselijke drager is van het verlossingswerk van Betlehem tot Golgota, maar ook boven Hem uit en door Hem heen tot in de ‘laatste tijden’, waarin Christus als hoofd zijn mystieke lichaam bouwt, en tot in de gebeurtenissen van de komende parousie, waarin Christus en zijn lichaam ‘zullen verschijnen in heerlijkheid’ (vgl. Kol. 3, 4; Fil. 3, 21).